Componist: Franz Joseph Haydn
Première: 1766 te Eisenstadt
Gasparina, de zangeres, en haar moeder Apollonia hebben net Don Ettore, een jonge man die Gasparina probeert te verleiden met stoffen en juwelen die hij van zijn moeder heeft gestolen, over de vloer als Gasparina's zangleraar en weldoener Don Pelagio arriveert. De dames doen als Don Ettore een koopman is en sturen hem weg. Don Pelagio leert Gasparina een nieuwe aria die hij voor haar heeft geschreven en vraagt haar ten huwelijk.
Wanneer Don Pelagio vertrekt, roept Gasparina Don Ettore terug. Don Pelagio is echter iets vergeten en treft dan Gasparina samen met Don Ettore aan. Beide heren ontsteken direct in woede, omdat ze zich bedrogen voelen. Don Pelagio besluit de vrouwen onmiddellijk uit hun appartement, dat eigenlijk het zijn is, te zetten en begint alvast hun bezittingen weg te dragen.
Gasparina smeekt om vergeving en genade en Don Pelagio laat zich makkelijk overhalen. De vrouwen mogen in zijn appartement blijven. Dan gaat Gasparina nog een stapje verder: ze valt flauw. Beide mannen overladen haar met geld en diamanten, hetgeen een merkwaardig herstellend effect op Gasparina heeft. Uiteindelijk zien de mannen Gasparina's hebzucht in, maar geven ze toch gewillig hun rijkdommen af.
Met La canterina hebben we een van de eerste theaterwerken van Haydn in handen. Haydn schreef het aanvankelijk als twee intermezzi die tussen de aktes van een opera seria werden opgevoerd. Wie het libretto schreef is onduidelijk, mogelijk was het Karl Friberth, een zanger aan het hof van Esterházy. In elk geval heeft de librettist zich laten leiden door de derde akte van Piccinni's opera L'Origille. De personages van de vier hoofdrolspelers zijn ontleend aan de commedia dell'arte-traditie en hun aria's zijn een parodie op de toenmalige wereld van opera en theater. Haydn versterkt deze komisch kritische inslag op vakkundige wijze, waarbij hij zijn bijzondere minachting voor de zangers niet onder stoelen of banken steekt.