Het Lam Gods van Hubert en Jan van Eyck: “eenen hemelschen schat in Vlaender lant”

Op reis met MUSICO word je met allerlei kleine en grotere wonderen geconfronteerd. Eén van de grootste zoeken we ieder jaar wel een paar keer op: het Lam Gods door Hubert en Jan van Eyck dat in 1432 werd voltooid. Dit altaarstuk, te bewonderen in de Sint-Baafskathedraal in Gent, wordt beschouwd als een van de grote meesterwerken uit de westerse kunst. Het ging gelden als het voornaamste werk in de nieuw ‘ontdekte’ olieverfschilderkunst, een markering in de overgang van de middeleeuwen naar de vroegmoderne tijd.

In alles indrukwekkend

Sint-Baafskathedraal in Gent. (Bron: Wikimedia Commons. Foto: Moody 75, CC BY-SA 2.0)

Al eeuwen dwingt het polyptiek bewondering af. Vanwege de onnavolgbare technische virtuositeit die de broers Van Eyck er tonen, om de complexe iconografie, maar ook simpelweg vanwege de enorme omvang. Het uit meerdere luiken bestaande werk is in geopende staat maar liefst 5,2 meter breed en 3,75 meter hoog, werkelijk heel uitzonderlijke afmetingen als we het vergelijken met andere paneelschilderijen uit de late middeleeuwen.

Het altaarstuk in gesloten toestand. (Bron: Wikimedia Commons)

Na de wijding van het altaar op 6 mei 1432 functioneerde het werk doorgaans in gesloten toestand. Op die buitenzijde, onder het wonder van de Annunciatie, zien we de levensgrote portretten van de beide opdrachtgevers, gevat in hun stenen nissen. Ze zijn van een duizelingwekkend levensechtheid. Links knielt Joos Vijd, handelaar en toenmalig burgemeester van Gent, naast een beeld van Johannes de Doper, de patroonheilige van de Sint-Janskerk zoals de Sint-Baafskathedraal tot 1540 werd genoemd. Aan de andere kant zien we zijn echtgenote, Lysabette (Elisabeth) Borluut. Zij houdt haar ogen opgeheven naar het zandstenen beeld van Johannes de Evangelist, die in zijn evangelie immers de Aanbidding van het Lam Gods beschreef. De dikke stof van Lysabettes jurk valt in een zee van plooien om haar heen, vol, tastbaar en van een heerlijke driedimensionaliteit.

Kleine details

Maar soms heeft het kleinste detail de meeste zeggingskracht: de minuscule zilveren speld waarmee haar hoofdsluier is vastgezet, is een toonbeeld van illusionisme. De linnen sluier deukt er een beetje in, het kuiltje vangt lichte schaduw, het zilveren glimlichtje van een schitterende nabijheid.

Detail van het hoofd van Lysabette Borluut, na restauratie. Boven haar voorhoofd, in het midden, is de speld te zien waarmee haar sluier vast is gezet. (Bron: Wikimedia Commons)

Het echtpaar Vijd was nauw betrokken bij de Sint Janskerk. Ze financierden de bouw van een deel van de kerk, waaronder de kapel waar het Lam Gods altaar opgesteld zou worden. Hiervoor maakte het kinderloze en recent geadelde echtpaar flink wat van hun bezittingen te gelde. Na de voltooiing van de kapel gaf Joos Vijd rond 1424 de opdracht aan Hubert van Eyck voor het altaarstuk. Met de dood van Hubert in 1426 kwam het werk stil te liggen, tot zijn broer Jan het tussen 1430 en 1432 kwam afmaken.

Geopende luiken

Het altaarstuk in geopende toestand. (Bron: Wikimedia Commons)

Voor belangrijke bezoekers, voor hen die een aanzienlijke donatie deden en op belangrijke religieuze feestdagen gingen de luiken open en kon het altaar zijn wonderen in volle omvang tonen. Noem het een vijftiende-eeuwse ‘blockbuster’. In 1604 beschreef de beroemde Vlaamse kunstschilder en schrijver Karel van Mander hoe het er aan toeging op dat soort heilige dagen. Het was een gedrang van jewelste, zozeer dat je maar nauwelijks bij het altaar kon komen. De hele dag was de kapel afgeladen vol met allerlei volk dat een glimp van het wonder wilde aanschouwen.

Van Mander legde nog even uit hoezeer schilders en kunstliefhebbers zich tot het werk aangetrokken voelden: “Hier saghmen Schilders, jongh en oudt, en alle Const-beminders ontrent swermen, even gelijckmen des Somers den Byen, en Vliegen, nae de soeticheyt siet om den Vijgh, oft Razijn-korven hangen, en schermen.” Want als de luiken open gingen, ontvouwde zich daar het nog grotere wonder: God de Vader, geflankeerd door Maria en Johannes de Doper, een hemels koor van zingende en musicerende engelen en Adam en Eva. En onder die heerlijkheid de magistrale Aanbidding van het Lam Gods.

Een frisse lenteochtend

Het afgelopen decennium stond in het teken van de restauratie van het altaarstuk. De eerste twee fases ervan hebben al een vracht aan nieuwe inzichten opgeleverd. Over het opschrift van het beroemde kwatrijn bijvoorbeeld, over de werkverdeling tussen Hubert en Jan, over de Fontein van het Leven, bij Hubert nog een murmelende natuurlijke bron.

Maar ook over het snoetje van het Lam, dat in de zestiende eeuw door overschildering zijn oorspronkelijke menselijke trekken verloor en recent alsnog een kleine ‘Twitterstorm’ opleverde van bezorgde kunstliefhebbers: wat was dat met die zoet getuite lippen van dit nieuwe, oorspronkelijke lam? In de laatste fase van de restauratie zal de aandacht uitgaan naar de bovenste panelen van de binnenzijde. Maar de uitgestrooide madeliefjes, paardenbloemen, lelietjes-van-dalen, het speenkruid en longkruid met zijn gevlekte blaadjes hebben weer de frisheid van een ochtend in mei, alsof we even naar buiten zijn gelopen om een wonder in ons op te nemen.

Het lam vóór en na restauratie. (Bron: Wikimedia Commons)

Feestelijke onthulling

Ter gelegenheid van de feestelijke onthulling van het gerestaureerde Lam Gods gaf het stadsbestuur van Gent, op initiatief van het Collegium Vocale Gent, aan componist Arvo Pärt de opdracht voor een nieuw stuk. Für Jan van Eyck (2020) is gebaseerd op het Agnus Dei uit het laatste deel uit Pärts Berliner Messe (1990). De wereldpremière vond plaats op 22 september 2020 door het Collegium Vocale Gent onder leiding van Philippe Herreweghe (bekijk via deze link).

De opbouw van het stuk voor koor en orgel is gelaagd. Na de opening door het orgel nestelen de stemmen zich tussen de orgelklanken en al snel leiden ze tot het Lam. Het wonder verklankt en dat allemaal in nauwelijks vier minuten. Volgens Pärt zelf is het een “… solitaire en nederige buiging voor een van de grootste kunstwerken van het christelijke Avondland en voor een kunstenaar die daarmee iets bereikt heeft dat voor de eeuwigheid geschapen is.”

Eeuwig zielenheil

Overigens richtten Joos Vijd en Lysabette Borluut in 1435, drie jaar na de wijding van het Lam Gods, een fundatie op dat hun zielenheil moest verzekeren met het dagelijks opdragen van een mis in de Vijdkapel. Opdat hiervoor ook na hun dood geld zou zijn, schonken ze een stuk land aan de Sint-Janskerk. Dezelfde woorden zullen dagelijks geklonken hebben:

Agnus Dei
Qui tollis peccata mundi,
Miserere nobis.
Dona nobis pacem.


Lam Gods,
Dat de zonden der wereld wegneemt,
Ontferm U over ons.
Geef ons vrede.

U kunt het Lam Gods ook vanuit de luie stoel thuis bestuderen en bewonderen. Op de site Closer to Van Eyck (link) zijn talloze foto’s in zeer hoge resolutie te bekijken, van zowel vóór als na de restauratie.

Het Städel in Frankfurt – een museum om voor om te rijden

Op reis met Musico doen we niet alleen de concertzaal of het operahuis aan. Een vast onderdeel van het reisprogramma vormen de excursies naar musea, voor het bezoeken van bijzondere collecties en tentoonstellingen. Frankfurt is daarom een van mijn favoriete bestemmingen, een plaats die mijn kunsthistorisch hart sneller doet kloppen. En dat is allemaal dankzij het Städel Museum dat er is gevestigd, ook wel Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie genaamd. Het is één van de oudste openbare, en wat mij betreft één van de interessantste musea van Duitsland.

Het Städel Museum en de Städel Garten (Foto: Städel Museum)
Het Städel Museum en de Städel Garten (Foto: Städel Museum)

Johan Friedrich Städel

Eerst maar even die naam, in de officiële versie toch enigszins een ‘tongbreker’: Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie. Ze is afgeleid van de eigennaam van de stichter van de collectie, de bankier en specerijenhandelaar Johan Friedrich Städel (1728–1816). Deze vermaakte zijn gehele bezit, inclusief zijn huis aan de Frankfurter Rossmarkt en zijn omvangrijke boeken- en kunstcollectie, aan een stichting met zijn naam. Johan Städel bepaalde dat het Städelsches Kunstinstitut als museum en kunstschool openbaar toegankelijk moest zijn voor alle burgers van Frankfurt. Het fortuin van 1.200.000 florijnen dat erbij kwam, diende voor het beheer, uitbreiden en ontsluiten van de kunstcollectie.

Marmerbuste van Johann Friedrich Städel, gemaakt in 1829 door Johann Zwerger (Foto: Städel Museum)
Marmerbuste van Johann Friedrich Städel, gemaakt in 1829 door Johann Zwerger (Foto: Städel Museum)

Een uitzonderlijk instituut

In een tijd waarin openbare kunstcollecties nog op één hand te tellen waren, een soort oertijd voor musea als openbaar instituut, was dit op zich al een bijzonderheid. Maar wat het initiatief nog uitzonderlijker maakte, was dat het nieuwe kunstinstituut tevens een academie zou herbergen. Aan deze Städelsche Kunstschule moesten theorie en praktijk samenvloeien in een kunstopleiding die, in overeenstemming met Städels ideële oogmerk, helemaal gratis toegankelijk was voor alle studenten, ongeacht sociale klasse.

Portret van Simonetta Vespucci als Nymf (Sandro Botticelli, 1480)
Portret van Simonetta Vespucci als Nymf (Sandro Botticelli, 1480)

Vooruitziende blik

Het eigen Städelsche kunstbezit dat aan de basis lag voor de opleiding, veranderde in de loop der tijd aanzienlijk. Niemand minder dan Goethe vond de kwaliteit van de schilderijencollectie nogal tegenvallen, maar daar kwam Johan Städels vooruitziende blik om de hoek om kijken. Het grootste deel ervan werd al in de negentiende eeuw vervangen door veel betere werken. Dankzij die tijdige aanpassingen is het Städel Museum de trotse bezitter van iconische stukken als Sandro Botticelli’s Portret van Simonetta Vespucci als Nymf (aangekocht in 1849), Jan van Eycks Lucca-Madonna (aangekocht in 1850) en Johannes Vermeers De Geograaf (aangekocht in 1885). Over de collectie tekeningen en prenten was Goethe overigens wel heel enthousiast. Niet zo vreemd, want die werken waren grotendeels afkomstig uit de meest gerenommeerde verzamelingen van hun tijd, zoals de wereldberoemde verzamelingen van kenners als Pierre-Jean Mariette en Cornelis Ploos van Amstel.

De Geograaf (Johannes Vermeer, 1668-1669), een van de topstukken van het Städel Museum
De Geograaf (Johannes Vermeer, 1668-1669), een van de topstukken van het Städel Museum

Neusje van de zalm

Kortom, wie anno 2020 het Städel Museum bezoekt, ziet daar in de vaste collectie het neusje van de zalm aan schilder-, teken en prentkunst. Nog altijd is een kunstopleiding aan het instituut verbonden. En met een conservator/adjunct-directeur die tevens hoogleraar is aan de Goethe-Universität Frankfurt, kan het zomaar voorkomen dat je op zaal midden in een werkcollege valt, waarbij de studenten zich het hoofd breken over de betekenis van de tweekleurige ‘hozen’ van jonge mannen in de vijftiende eeuw. Het maakt het museum tot een levend instituut, dat voeling houdt met wat er in wetenschap, kunst en samenleving speelt.

Interessante tentoonstellingen

Misschien is dat ook wel een van de geheimen achter het succesvolle tentoonstellingsbeleid van het museum. Want dat hier de meest interessante tentoonstellingen worden gemaakt, is voor iedereen die het museum wel eens bezocht, evident. Zelf ging ik al vaker per trein een dag op en neer, bijvoorbeeld voor de exposities over de Meester van Flémalle en Rogier van der Weyden en Sandro Botticelli. Telkens intelligente tentoonstellingen, voortkomend uit vragen bij werken uit de eigen collectie. En dankzij de nalatenschap van Johan Städel weet de bezoeker bij voorbaat dat niet alleen die eigen meesterwerken, maar ook de beste bruiklenen uit andere musea getoond zullen worden. In alle opzichten dus een museum om voor om te rijden.