De vergeten ‘Pénélope’ van Gabriel Fauré

De muziek van Gabriel Fauré is natuurlijk niet onbekend en zeer zeker niet onbemind. Veelvuldig prijkt zijn naam op programma’s die gevuld zijn met liederen en kamermuziek en zijn Requiem geeft aan het genre van de dodenmissen (die meestal bol staan van dramatiek) een heel zoetgevooisde stem. Minder bekend is zijn opera Pénélope. Fauré schreef dit voor de Opéra van Monte-Carlo waar het in 1913 in première ging, het jaar waarin Wagner zijn 100e verjaardag zou hebben gevierd.

Wagner & Fauré

Ik schrijf dat zo nadrukkelijk, omdat de stijl en de ideeën van deze Duitse componist zo duidelijk aantoonbaar zijn in deze opera. En dat terwijl Fauré juist genoemd wordt als één van de tijdgenoten die het minst door Wagner zou zijn beïnvloed. Die invloed is in dit geval terug te voeren op de stimulerende hand van een echte Wagnersopraan: Lucienne Bréval. Zij was van Zwitserse afkomst (haar geboortenaam was Schilling) en zou een grote internationale carrière maken. Zo was ze kind aan huis bij de Opéra in Parijs en trad daar voornamelijk op in Wagnerrollen. Opvallend genoeg specialiseerde zij zich ook in opera’s van Rameau en Gluck.

De sopraan Bréval ontmoette Fauré in 1907 in Monte Carlo en sprak hem aan op het feit dat hij nog geen opera op zijn naam had staan. Dat moest maar eens snel veranderen, vond zij. Ze introduceerde hem bij René Fauchois die een toneelstuk had geschreven over Odysseus die terugkeert naar Ithaka. Dit toneelstuk werd omgewerkt (en door een drukke agenda van Fauré ook behoorlijk ingekort) tot een operalibretto in drie aktes.

Leitmotiv en unendliche Melodie

Fauré was in deze periode aangesteld als directeur van het conservatorium van Parijs en kon zodoende uitsluitend zijn vakantieperiodes wijden aan het componeren van deze opera. Dat bracht hem op het laatst in de problemen: er bleef te weinig tijd over om de hele opera te orkestreren. Hij koos ervoor om de voor hem minst interessante delen te laten orkestreren door een assistent (Fernand Pecoud). Gelukkig is het overgrote deel wel van de hand van Fauré zelf. Van Wagner keek Fauré onder meer de ‘Leitmotif’-techniek af, als ook de ‘unendliche Melodie’ én het feit dat de twee hoofdrollen worden gezongen door heroïsche stemmen (een heldentenor en een dramatische sopraan).

Het gesprek van de dag

De première was niet gelijk een succes, maar via wat juist geplaatste, internationale artikelen in kranten en muziektijdschriften als The New York Herald en het Neue Zeitschrift für Musik was de opera toch enige weken het gesprek van de dag in de muziekwereld. Dat werd echter met één veeg teniet gedaan, toen kort erop Le sacre du printemps in première ging. Dit leidde tot het grootste muziekschandaal ooit, en niemand sprak ook nog maar één woord over de opera van Fauré.

Een tijdlang bleef de opera tot het repertoire van de Opéra Comique in Parijs behoren, maar na de Tweede Wereldoorlog werden opvoeringen ervan echt een zeldzaamheid. Onder operakenners bleef het werk echter geliefd en gelukkig zijn er zelfs twee opnamen gemaakt: een live opname uit 1957 (met Régine Crespin in de titelrol) en een studio-opname uit 1982 met Jessye Norman. In het onvolprezen festival van Wexford – dat zich altijd zo trouw bekommert om vergeten repertoire – stond de opera op de planken in het jaar 2005. 

‘Sterve met ere, wie niet met ere kan blijven leven’

Na het overweldigende succes van Tosca (première in 1900) ging Giacomo Puccini naarstig op zoek naar een geschikt onderwerp voor een nieuwe opera. Heftige emoties van mensen van vlees en bloed zouden daarin wederom centraal moeten staan. In 1901 vond hij in de eenakter Madama Butterfly van de Amerikaanse toneelschrijver David Balasco precies wat hij zocht. Volgens eigen zeggen grepen de menselijke aspecten in het onafwendbare noodlot (dat in dit verhaal voortkomt uit een botsing tussen twee culturen) hem direct naar de keel.

Op één plek, gesloten, efficiënt, gruwelijk!

De fascinatie in het Westen voor de Oosterse, en met name de Japanse cultuur was zeker niet nieuw, maar het hoogtepunt daarvan werd wel rond het jaar 1900 bereikt. De deels op een waargebeurde geschiedenis gebaseerde eenakter van Balasco (naar een verhaal van John Luther Long) is daar een sterk voorbeeld van. Het had precies de kernachtigheid en het onafwendbare drama dat Puccini zocht. Zo overtuigd als de componist was van de kwaliteit van dit verhaal, zoveel moeite had hij om zijn uitgever en librettisten mee te krijgen. Hij hield voet bij stuk, dat is maar goed ook. Puccini verklaarde zelf dat het verhaal zich zonder onderbreking moest ontvouwen: ‘op één plek, gesloten, efficiënt, gruwelijk!’ Hij bestudeerde er de Japanse muziek uitvoerig voor, en kwam tot een unieke taal die tegelijkertijd exotisch én absoluut Puccini is: een meesterwerk was het resultaat.

Gruwelijk is het zeker wat de jonge Japanse Cio-Cio-San overkomt. Ze wordt verleid door de Amerikaanse officier Pinkerton, en valt volledig voor hem terwijl hij haar slechts als exotisch tussendoortje ziet. Terwijl zij alles, inclusief haar geloof, opgeeft om met hem te kunnen trouwen, vertrekt hij na haar bezwangerd te hebben terug naar Amerika. Hij belooft terug te komen zodra de roodborstjes nestelen, een belofte waar Cio-Cio-San (ondanks waarschuwingen uit haar omgeving) halsstarrig in blijft geloven. Pinkerton verschijnt pas jaren later met een Amerikaanse vrouw aan zijn zijde, slechts teruggekomen om zijn kind op te eisen.  Cio-Cio-San rest niets anders dan de dolk te hanteren die zij geërfd heeft van haar vader. De Mikado gaf hem die dolk vlak voor zijn dood met een in het heft gegraveerde opdracht…

Madama Butterfly (Giacomo Puccini) - voorkant eerste uitgave van de partituur)
Madama Butterfly (Giacomo Puccini) – voorkant eerste uitgave van de partituur)

Het sluwe vosje van Janácek

Dat dieren kunnen praten weten we natuurlijk al lang. In Erik en het klein insectenboek of in het oeuvre van Annie M.G. Schmidt zijn daar genoeg voorbeelden van te vinden. En ook in de opera zijn zulke karakters te vinden. Zo heeft Wagners held Siegfried na het drinken van een heerlijk glaasje drakenbloed in het bos een goed gesprek met een ‘Waldvogel’.

Maatschappijkritiek in het kippenhok

Maar een opera die vrijwel geheel bezet is met sprekende en zingende dieren? Dat was wel echt uniek toen de Tsjechische componist Léos Janácek met zijn opera Het sluwe vosje kwam. Maar ondanks dat het de dieren zijn die zingen, gaat deze opera wel degelijk over mensen! Janácek las dagelijks een strip in de lokale Praagse krant, waarin de hoofdrol werd vertolkt door een sluw vosje. Het was zijn huishoudster die op het idee kwam om van dit stripverhaal een operaversie te maken. Dat was niet tegen dovemans oren gezegd. Janácek raakte geïnspireerd door de menselijke karaktertrekken van de dieren die zijn opera bevolkten. Zo is er een scène waarin de kippen er genoeg van hebben om onder het juk van één man (haan) te leven. Ze komen in opstand en eisen rechten voor de vrouw op. Dit soort opstanden waren in die tijd in heel Europa aan de gang (bij vrouwen natuurlijk, niet bij kippen).

Het feit dat in de opera veelal dieren optreden gaf Janácek ruimte om behoorlijk wat maatschappijkritiek te geven op het Tsjecho-Slowakije van na de Eerste Wereldoorlog, dat een lastige tijd doormaakte.

Mensen, het zijn net dieren

En voor wie een goed liefdesverhaal onontbeerlijk is in een opera, geen nood! Het sluwe vosje wordt verliefd op de mannetjesvos en uiteindelijk wordt er ook voor nakomelingen gezorgd. Eind goed, al goed? Dat zal ik u niet verklappen. Gun uzelf een keertje een bezoek aan deze bijzondere opera, en het einde zal u tot tranen toe beroeren!

Het sluwe vosje (Léos Janácek)
Het sluwe vosje (Léos Janácek) – poster voor opvoering in de Komische Oper in Berlijn

Lieder eines fahrenden Gesellen – 26, 28 juli en 2 augustus 2021

Vincent van Amsterdam en Esther Kuiper
Vincent van Amsterdam en Esther Kuiper

Mahler heeft zijn Lieder eines fahrenden Gesellen eerst voor piano en zangstem geschreven en later zelf georkestreerd. Tijdens dit concert hoort u een unieke combinatie van beide versies. Hierna volgt de Chamber Suite van Solotarjov en een selectie van bekende en minder bekende liederen van Tsjaikovski.

Programma

G. Mahler (1860-1911) – Lieder eines fahrenden Gesellen
Wenn mein Schatz Hochzeit macht
– Ging heut morgen übers Feld
Ich hab’ ein glühend Messer
– Die zwei blauen Augen von meinem Schatz

V. Solotarjov (1942-1975) – Chamber Suite (1963-67)
I. Evening Prelude
II. Moonlight Spurting Outdooors
III. Snowfall at Night
IV. Mysterious Visions
V. I am Calling Instances of Gloomy Sorrow
VI. An Old Fairy Tale

P. I. Tsjaikovski (1840-1893) – Selectie van zijn bekende en minder bekende liederen
– Usni, op. 57.4
– Moy geniy, moy anguel, moy drug
Na son gryadushchiy, op. 27.1
– Sred’ shumnogo bala op. 39 no. 3
– Kukushka, op. 54.8

Uitvoerenden

Esther Kuiper (mezzosopraan)
Vincent van Amsterdam (accordeon)

Tijd en plaats

maandag 26 juli 2021, 20.00 uur
woensdag 28 juli 2021, 20.00 uur
maandag 2 augustus 2021, 20.00 uur

Golden Tulip Tjaarda Oranjewoud
Koningin Julianaweg 98, 8453 WH Oranjewoud

Prijs

€ 25,00

U kunt voor dit concert geen kaarten meer bestellen.

De nalatenschap van Sweelinck – 25 oktober 2021

Jan Pieterszoon Sweelinck (Gerrit Pieterszoon Sweelinck, 1606)
Jan Pieterszoon Sweelinck (Gerrit Pieterszoon Sweelinck, 1606)

Orgelstudenten van het Conservatorium van Amsterdam spelen op het Müller-orgel van de Waalse Kerk werken van Sweelinck en componisten die hij direct of indirect beïnvloed heeft. De Duitse organist en componist Scheidemann bijvoorbeeld was een van Sweelincks favoriete leerlingen. Hij zou later de beroemde componist en organist Buxtehude lesgeven die weer de muzikale held van Bach zou worden. Het is maar een voorbeeld van de faam en invloed van Sweelinck, en hoe hij de basis legde voor grote componisten na hem.

Programma

– Sweelinck: Fantasia G1
– Sweelinck: Echo fantasia in d
– Scheidemann: Erbarm dich mein
– Buxtehude: Wie schön leuchtet
– Scheidemann: Canzona in G
– Buxtehude: Praeludium in d, BuxWV140
– Bach: Praeludium & Fuga in a, BWV543

Uitvoerenden

Leerlingen van het Conservatorium van Amsterdam:
– Antonio Pedrosa (Fantasia  G1)
– Jorge Silva (Echo fantasia in d)
– Wibren Jonkers (Erbarm dich mein + Wie schön leuchtet)
– Jos Maters (Canzona in G + Praeludium in d)
– Elena Roce (Praeludium en Fuga a- moll)

Tijd en plaats

Maandag 25 oktober 2021
14.30 uur

Waalse Kerk Amsterdam
Walenpleintje 159, 1012 JZ Amsterdam

Prijs

€ 10,=

U kunt voor dit concert geen kaarten meer bestellen.

Podcast Monuments Musicaux – aflevering 1

Over de bijzondere band tusen Azucena en Manrico in Verdi’s Il trovatore

Luister hier naar de eerste aflevering van Monuments Musicaux, de podcast van MUSICO Reizen over belangrijke, intrigerende en ontroerende momenten in de klassieke muziek.

In deze allereerste podcast van Monuments Musicaux praat MUSICO-eigenaar Remco Roovers met Susan Dorrenboom over de huiveringwekkende eerste scène van de tweede akte van Il trovatore van Verdi. Wat heeft Azucena zoveel jaar geleden gedaan en wie is Manrico precies?

Met muziekvoorbeelden van de EMI Classics uitgave met Larissa Diadkova als Azucena, Roberto Alagna als Manrico en met de London Symphony Orchestra en de London Voices o.l.v. Antonio Papano.