Santiago! We zijn er!

Van Léon naar Santiago hebben we per auto gedaan. Onderweg hebben we veel moois gezien in het stadje Astorga, tijdens een prachtige bergrit en in het dorpje O’Cebreiro waar het helaas plenste van de regen.

Uiteindelijk bereikten we ons einddoel dat we vierden met een heerlijke Gin-Tonic!

De stad bruist, ook al is het zeker nog geen hoogseizoen voor de pelgrims. Uiteraard hebben we ook een bezoek gebracht aan de kathedraal, de eindbestemming van de Camino met de relikwieën van de Heilige Jacobus.

Van Burgos naar León

Cultuur met een grote C
Vandaag bereikten we de stad Burgos. Voor de pelgrims een echt cadeau. Al van ver dient de stad zich aan en na het nodige wandelen komt de immense kathedraal allengs dichterbij.

Een bezoek aan dit complex, waar je als het ware van de ene kerk in de andere doorloopt is een absolute must. Het altaar is grootser dan groot en je proeft de historie. Zo bevindt zich hier ook de kist van de ridder El Cid, die (niet geheel onomstreden) vocht voor de herovering van Spanje op de Moren. De kist vulde El Cid met zand en liet geloven dat het gevuld was met goud om als onderpand te dienen.

Tijdens onze voorbereiding vierde de stad carnaval, uiterst beleefd, nauwelijks alcohol drinkende mensen op straat en veel leuk verklede kinderen, vaak als (u raadt het als) El Cid!

Van een Gaudí-paleis naar een kerkruïne met nieuwe bewoners
Op onze voorbereidende reis naar Spanje zijn we inmiddels in León aanbeland. Onder Nederlandse toeristen is de stad nog vrij onbekend, onder de Spanjaarden en pelgrims is het een stuk bekender. Sinds de middeleeuwen is León een een belangrijke stop is op de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Aan de Plaza de San Marcelo staat Casa Botines, een van de vroege werken van Antoni Gaudí uit 1891-1892. Gaudí bouwde dit woonhuis met magazijn/kantoor voor een textielhandelaar in opdracht van Joan Homs i Botinàs. Uiteraard gaan we dit opvallende gebouw ook met de MUSICO-groep in april bezoeken!

De wandeling van Oncina de la Valdoncina naar Chozas de Abajo, begint net buiten de stad Léon. Een rustig en mooi traject, met als verrassing een kerkruïne met een aantal ooievaarsnesten erop!

Verharde bospaadjes en prachtige legendes

Vrijdag 13 februari 2026
Vandaag hebben we twee wandelingen van de camino-reis voorbereid. De eerste wandeling begint ten noorden van Pamplona en gaat door een prachtig glooiend landschap met voornamelijk verhard bospaadjes, langs een riviertje, zonder andere weggebruikers. De tweede wandeling begint bij de kathedraal van Pamplona en loopt via de oude stad naar de moderne buitenwijken tot aan de stadsgrens. De route staat heel duidelijk aangegeven en gaat meestal via een gedeeld pad voor fietsers en wandelaars. Twee totaal verschillende wandelingen, maar dat maakt de camino nou juist zo bijzonder! Hartelijke groeten uit Spanje! Taco Stronks & Remco Roovers

Zaterdag 14 februari 2026
De beste tijd om de Camino te lopen is april/mei of in het najaar. Toch komen we tijdens onze voorbereidende wandeling af en toe al een pelgrim tegen die de elementen trotseert!

Zondag 15 februari
Naast wandelen betekent een camino ook cultuur opsnuiven. En vandaag stond de dag in het teken van wonderen. De eerste wonderen voltrokken zich in Irache waar het innerlijke wonder (de prachtige kerk) en het uiterlijk wonder (een heuse wijnfontein) met elkaar om aandacht strijden.

Het andere wonder was zichtbaar in Santo Domingo de la Calzada. Hier worden een levende haan en kip in een speciale kooi gehouden ter nagedachtenis aan een middeleeuwse legende.

We besloten dat we het moesten voltooien met een wonder op ons bord en hadden een heerlijke lunch!

Een leyenda uit de middeleeuwen
Hoe zit dat nu met die levende kip en haan in de kerk van Santo Domingo de la Calzada. Een pelgrimsjongen werd op weg naar Santiago in Santo Domingo valselijk beschuldigd van diefstal en zonder pardon opgehangen. Zijn ouders vervolgden hun weg naar Santiago en op de terugweg deden ze deze onheilsplaats toch weer aan. Tot hun verbazing én vreugde hing hun zoon nog aan de galg, levend! De ouders renden naar de rechter die net genoot van een gebraden kippetje en haan. De rechter was ‘not amused’ met deze onnozele onderbreking van zijn maaltijd. ‘Als ik moet geloven dat de jongen nog leeft, dan kan ik evengoed geloven dat de gebraden kippen aan het spit tot leven komen en wegvliegen,’ sneerde hij. Waarop kip en haan van zijn bord wegvlogen…

Naar Pamplona

Alle wegen leiden naar….? Juist, Santiago. Wij zijn inmiddels aan onze Camino begonnen. Dit keer komen we niet in aanmerking voor een volledige aflaat, want we doen het in een rap tempo en maken ook van andere vervoersmiddelen dan de benenwagen gebruik. Zo brengt vandaag de trein ons naar Pamplona. We hopen dat deze inkorting ons niet euvel wordt geduid van boven af. De Camino is in ieder geval op vele plekken aanwezig in Spanje. We komen er wel!

Pamplona
Pamplona is de geboortestad van vioolvirtuoos Pablo de Sarasate. Een heel rijtje componisten schreef werk voor hem: Camille Saint-Saëns, Max Bruch, Édouard Lalo, Antonín Dvorák. Maar Pablo de Sarasate schreef zelf ook, vooral werk om zelf uit te voeren tijdens zijn tournees. Zijn bekendste werk is Zigeunerweise; toen Pablo de Sarasate dit werk schreef, dacht hij nog dat Hongaarse volksmuziek hetzelfde was als muziek van de Romani. De titel van het werk mag dan dus naar de Romani verwijzen, de gebruikte motieven komen uit de Hongaarse volksmuziek. Zo kan men in het laatste deel een thema uit de Hongaarse rhapsodie nr 13 van Franz Liszt herkennen.
Hieronder een virtuoze vertolking van Zigeunerwiesen door Itzhak Perlman in 1978.

Een korte geschiedenis over de camino

In april organiseert MUSICO Reizen een reis naar Santiago de Compostela. Voordat we vanaf morgen verslag doen van de voorbereidingen, eerst een geschiedenislesje:

De Camino de Santiago ontstond in de 9e eeuw, nadat volgens de overlevering het graf van de apostel Jakobus werd ontdekt in het huidige Santiago de Compostela. Vanaf de 10e en 11e eeuw groeide de pelgrimage uit tot een van de belangrijkste christelijke routes van Europa, naast Rome en Jeruzalem, en ontstonden vaste trajecten zoals de Camino Francés door Noord-Spanje. Na een periode van verval in de 16e tot 19e eeuw — door oorlogen, de Reformatie en veranderende religieuze opvattingen — raakte de route grotendeels in onbruik.

Sinds de tweede helft van de 20e eeuw beleeft de Camino een sterke heropleving, mede dankzij erkenning als UNESCO-Werelderfgoed en een groeiende belangstelling voor spirituele, culturele en sportieve pelgrimstochten.

De oudste reisgids naar Santiago
In de 12e eeuw was de pelgrimage naar Santiago de Compestela al zo geliefd, dat er zelfs een soort handboek voor is geschreven, de Codex Calixtinus. Hierin staan niet alleen gebeden, maar wordt ook uitgebreid over het leven van St. Jacobus geschreven én het bevat een reisgids voor de pelgrims. Welke routes kon men vanuit Frankrijk nemen, waar te overnachten, welke relieken onderweg te eren (met daarbij ook een lijstje ‘valse relieken’)? Ook de inwendige mens werd niet vergeten en als in een moderne restaurantgids nam men geen blad voor de mond waar het goed en waar het slecht toeven was.

Eerste bladzijde uit het Codex Calixtinus

Er zit muziek in het Codex Calixtinus
Het Codex Calixtinus bevat ook een deel met hymnes en kerkelijke gezangen, in een vroege vorm van polyfonie (meerstemmigheid).

Tweestemmig lied uit het Codex Calixtinus, de groene streep verdeelt de ‘notenbalk’ in een bovenstem en een onderstem

Voor de echte liefhebber hieronder de hymne ‘Dum Pater Familias’ uit het Codex Calixtinus, speciaal voor de pelgrims naar Santiago de Compostela. Het is een hymne met uitroepen in het met uitroepen in het Latijn, Duits en Vlaams. De hymne eindigt met de woorden: Herru Sanctiagu, Got Sanctiagu, E ultreia e suseia, Deus adiuva nos. (O Heer Santiago, o goede Santiago! Voorwaarts en verder, moge God ons helpen.

Santiago 2026 – we zijn op weg!

Dinsdag 10 februari 2025 – Schiphol – Het vertrek

In 2018 en 2019 liepen wij – Remco Roovers en Taco Stronks – langs twee verschillende caminoroutes naar Santiago de Compostela in Spanje. En nu keren wij weer terug naar Spanje, een land dat we sindsdien in ons hart hebben gesloten.

Het is onze jaarlijkse vakantie. Inderdaad, in februari. Als eigenaren van MUSICO Reizen willen we alleen met vakantie, als er geen andere reizen onderweg zijn. Zo kunnen we ongestoord door kleine of grote calamiteiten (even afkloppen) tot rust komen na een druk reisjaar.

Naar Spanje dus. Ondanks dat ik (Remco) door mijn spierziekte niet meer in staat ben een gehele camino lopend af te leggen, behouden de route, het landschap en vooral de mensen hun aantrekkingskracht.

Over die camino vertellen we u over enkele dagen meer. Vandaag vliegen we naar Madrid waar we beginnen met een kort stedentripje. U hoort binnenkort weer van ons!

Taco Stronks & Remco Roovers

Luistergids Leoš Janáček

Janáček: een oude boom met jonge takken

Leoš Janáček was uniek, en zijn muziek ook. Het volstrekt eigen geluid van deze componist vergeet je, eenmaal gehoord, nooit meer. Sommigen raken op het eerste gehoor verliefd; anderen moeten misschien even wennen aan de ietwat eigenzinnig en onregelmatig klanken. Als mens was Janáček nederig, eerlijk en spiritueel, maar in zijn muziek toonde hij zich ook compromisloos, onverzettelijk en koppig. De levensles die hij ons leert, is dat je nooit je dromen moet opgeven: hijzelf zou zijn hele leven in provinciale obscuriteit hebben doorgebracht als zijn genialiteit niet plotseling was opgebloeid op zijn oude dag, geïnspireerd door een hartstochtelijke (platonische) liefde voor een jonge getrouwde vrouw. Deze onverwachte liefdesaffaire bevrijdde zijn geest, en de oude Janáček componeerde een reeks briljant originele opera’s die vanuit zijn kleine Oost-Europese dorp naar alle uithoeken van de wereld zijn gereisd. Op 72-jarige leeftijd legde hij het zelf het beste uit:

Hoewel ik ouder word, heb ik het gevoel dat er een nieuwe ader in mijn werk begint te groeien, een nieuwe tak – hetzelfde wat er gebeurt met de vier- of vijfhonderd jaar oude bomen van Hukvaldy. Je kijkt en zie: er groeit een jonge tak aan de zijkant van een boom. Mijn laatste creatieve periode is ook een nieuw soort ontspruiten van de ziel die vrede heeft gesloten met de rest van de wereld en er alleen naar streeft om het dichtst bij de gewone Tsjechische mens te staan.

Leoš Janáček in 1917 in Luhačovice
Leoš Janáček in 1917 in Luhačovice

Een eigen Slavische stem

In zijn jeugd bloeide de Tsjechische muziektraditie als nooit tevoren. Het cultureel nationalisme vatte post en inspireerde componisten als Smetana en Dvořák tot romantisch, melodieuze werken die vaak hun wortels in de Tsjechische volksmuziek hadden. Maar Janáček wilde verder gaan dan een vaag romantisch ideaal van nationalistische volkscultuur. Hij beschouwde zichzelf niet als Tsjechisch, maar als specifiek Moravisch en besteedde een groot deel van zijn volwassen muzikale leven (als hij geen orgel speelde of muziekles gaf in Brno) aan het onderzoeken en transcriberen van traditionele Moravische muziek. Zijn eigen kenmerkende geluid ontwikkelde zich uit wat hij leerde – niet van Duitse leraren in Leipzig en Wenen (zoals Smetana en Dvořák nog deden), maar van zijn bevindingen op het Moravische platteland.

De westerse klassieke muziek had zich sinds de barok rondom twee toonsoorten ontwikkeld: mineur en majeur. Janáček wilde zich hier niet tot beperken, er waren immers nog heel wat andere toonsoorten voorhanden waar nooit wat mee werd gedaan. In West-Europa ontwikkelde zich de atonaliteit, maar daar had Janáček ook niets mee. Het gevolg is dat hij een unieke stem ontwikkelde die zich voedde met Slavische volksmuziek. Daarnaast was hij geobsedeerd om de stembuiging van het gesproken woord zo natuurlijk mogelijk in muziek te vatten. Als mensen in zijn opera’s zongen, zou dat zich bijna een-op-een laten vergelijken met de taal van alle dag.

Oude liefde, nieuwe liefde

Het gezinsleven van Janáček was problematisch. Hij was een workaholic en trouwde met een jonge pianostudente, maar ze waren nooit echt gelukkig samen. Nadat hun beide kinderen gestorven waren, viel hun relatie uiteen. In zijn krachtige opera Jenůfa, geschreven in 1903 toen zijn 20-jarige dochter op sterven lag, verkende Janáček het catastrofale verliezen van een kind. De componist en zijn vrouw scheidden weliswaar de facto, maar bleven in hetzelfde huis wonen. Op 63-jarige leeftijd werd Janáček stapelverliefd op Kamila Stösslová, een 25-jarige getrouwde vrouw met twee zonen. Hoewel ze zijn obsessieve passie nooit beantwoordde, werden ze goede vrienden, tot grote ergernis van Janáčeks ex-vrouw. Kamila’s man vond het overigens geen probleem. Janáčeks liefde voor Kamila inspireerde hem tot drie opmerkelijke personages in zijn late opera’s Káťa Kabanová. Janáček stierf in 1928 met Kamila aan zijn zijde, aan een longontsteking die hij opliep door een verkoudheid die hij opliep toen hij op zoek was naar Kamila’s zoon in de bossen bij zijn dorp Hukvaldy.

Janáčeks opera’s: een beknopte handleiding

Janáček vond het heerlijk om de grenzen van opera te verleggen en voorspelbaarheid te vermijden. Zijn grote opera’s gaan allemaal over liefde, dood en wedergeboorte; maar ze laten een brede literaire smaak zien, plus een verbeeldingskracht die geen obstakels kende in termen van wat er op het operapodium zou kunnen werken. Zo komen in zijn opera’s kippen aan het woord, leeft een karakter een aantal eeuwen lang en reist er zelfs iemand naar de maan! De onmiskenbare, unieke klank van Janáčeks opera’s heeft een heel eigen, intens eigenzinnige schoonheid. Het zucht, piept, smacht en stuiptrekt; het bloeit, het stijgt op in vervoering en het verplettert. Janáčeks klankwereld is heel anders dan die van veel West-Europese opera’s, en niet alleen omdat Tsjechisch geen romantische taal is. Het komt ook omdat Janáček verschillende muzikale sympathieën koesterde die in zijn muziek tot uitdrukking komen.

Zo had Janáček een grote voorkeur voor opera’s in prozavorm. De libretto’s van veel westerse opera’s zijn in dichtvorm geschreven; daarom klinken de meeste operapersonages veel welsprekender dan echte mensen (en is dat ook de reden waarom ze blijven zingen lang nadat ze hun punt hebben gemaakt). Maar Janáček was gefascineerd door de geluiden van echte alledaagse spraak, niet door formele taal. Zijn personages zeggen zinnen, ze houden geen toespraken, Ze zingen noten, maar geen deuntjes. Het resulteert in een drama dat veel realistischer is dan de verismo opera’s die zich er in de naam op hun realisme lieten voorstaan (verismo komt van ‘waarheid’). Al het gesprokene in de opera’s van Janáček is extreem beknopt en dat verhoogt de verzengende kracht van een tragedie als bijvoorbeeld Káťa Kabanová of Jenůfa. De opera’s bevatten zeker ook mooie melodieën, maar die worden vaak ingezet als er sprake is van oppervlakkige liefdesrelaties. Maar zelfs daar is geen sprake van standaardsjablonen van majeur of mineur. Zijn jarenlange studie van Moravische volksmuziek leerde hem rijke modale harmonieën die de kern vormen van zijn harmonische taal.

Leoš Janáček in 1882

Officieel verachtte Janáček de componist Wagner die een systeem van terugkerende motieven ontwikkelde, zodat zijn orkest het verhaal van een opera muzikaal kon vertellen. Maar Janáček bouwde zijn symfonische weefsel ook op uit de herhaling van kleine muzikale fragmenten. Alleen zijn het in zijn geval geen motieven die elementen van het verhaal op een voor de hand liggende manier symboliseren. In plaats daarvan gebruikte Janáček muzikale cellen: kleine patronen die vorm en eenheid geven aan het gevoel van een scène terwijl de zangers de chaos van spraak imiteren in hun zanglijnen. Sommige van Janáčeks muzikale cellen hebben een emotionele betekenis. Zo is er in de opera Káťa Kabanová een cellulair motief dat zucht van gefrustreerd verlangen. Een ander stijgt door niet langer te onderdrukken schuldgevoel, en het meest angstaanjagende motief (door musicologen het No-exit-motief genoemd) dat gelijk binnen vijf maten haast gluiperig in de pauken voor het eerst klinkt. Het is duidelijk: Káťa komt ten val!

Ariadne auf Naxos – over ‘meta-opera’ en zo meer

Ariadne auf Naxos
Ariadne auf Naxos, Keulen 2012

Een opera? Dat is toch als iemand gaat zingen als hij een dolk in zijn rug krijgt gestoken?

Hou een kleine enquête onder uw vrienden en familie en u zult vast wel een keertje dit antwoord geretourneerd krijgen. En zo zijn er nog wel een hoop andere voor de hand liggende opmerkingen over opera te maken: er gaat altijd iemand dood, ze duren allemaal erg lang, zangers zijn allemaal dik en de beroemde zangers zeggen altijd af, etc, etc….

U weet natuurlijk beter: dit is allemaal onzin!

Opera’s komen (overigens net als zangers) in allerlei maten: de langste opera duurt zeven (!) dagen (Aus Licht van Karlheinz Stockhausen) en de kortste opera is misschien waarschijnlijk die van Samuel Barber (A Hand of Bridge – 10 minuten lang). Het hardnekkigste misverstand is wel dat er altijd iemand moet dood gaan in een opera. Dat is zeker geen wet van Meden en Perzen. Er zijn natuurlijk ook heel vrolijke opera’s met doldwaze libretto’s.

Meta-opera: een opera over een opera

Maar wist u dat er ook opera’s over opera’s zijn? Deze meta-opera’s vormen een kleine niche binnen het repertoire, met een aantal zeer gerenommeerde werken. Een van de meest complexe werken binnen dit genre is de opera Ariadne auf Naxos. Een titel die staat als een huis, een titel die u gelijk in gedachten meeneemt naar de Griekse mythologie. Maar dan hebben we geen rekening gehouden met de librettist Hugo von Hofmannsthal die deze heroïsch-mythologische personages graag gekleed zag gaan in achttiende-eeuwse kostuums met hoepelrokken en struisvogelveren en ze in dialoog wilde laten gaan met figureren uit de commedia dell’arte. En zo ziet u maar: moderne opera-ensceneringen zijn van alle tijden! De beoogde componist Richard Strauss was bovendien niet vies van wat geëxperimenteer en ging akkoord met dit nieuwe werk. Een tussendoortje voor beide heren, waarvan ze aanvankelijk de duur op zo’n 30 minuten schatten.

Hugo von Hofmannsthal en Richard Strauss
Hugo von Hofmannsthal en Richard Strauss

Hugo von Hofmannsthal wilde de kleine opera laten fungeren als een divertissement dat naar een (ingekort) toneelstuk van Molière zou leiden: Le Bourgeois Gentilhomme. Richard Strauss zag dat niet zitten. Hij vond dat het toneelstuk een echte ontknoping miste en was bang dat het geheel nogal statisch zou worden. Wel sprak het idee van een koppeling van twee uiteenlopende werken hem erg aan en was hij bovendien enthousiast over de kolderieke ideeën van zijn librettist. Strauss maakte gretig gebruik van de in het libretto aanwezige mogelijkheden voor parodie, het geven van citaten en ironische stijlvermenging. Zo zijn in het uiteindelijke werk Wagners Rhein-motieven te beluisteren of het moment dat er zalm wordt geserveerd, klinkt er het gemekker uit Strauss eigen Don Quixote bij de gang met schapenbout, bij de graspiepers met lijsters horen we het gekwinkeleer uit Der Rosenkavalier en een treffende verwijzing naar ‘La donna è mobile’ uit Verdi’s Rigoletto.

Parodie op zangersfratsen

En zo wordt het voorspel uit Ariadne auf Naxos een gezellig, rommelig, met zangersfratsen gevuld geheel, dat leidt naar een opera in de opera: de opvoering van het mythologische verhaal van Ariadne die wacht op de komst van Bacchus. In het voorspel maken we kennis met een componist die er genoeg van heeft naar de pijpen van iedereen te moeten dansen. Er speelt van alles boven of onder de oppervlakte tussen de zangers onderling. Op de achtergrond (maar nooit aanwezig) is de invloed van de geldschieter duidelijk aanwezig. Zie hier alle ingrediënten van het operabedrijf: ‘never a dull moment’.

Strauss en Von Hofmannsthal waren zeker niet de eerste met hun ‘opera over opera’. Al in de achttiende eeuw schreven Salieri en Mozart respectievelijk Prima la Musica, poi le Parole en Der Schauspieldirektor, opgevoerd op één avond, als een soort van competitie tussen beide opera’s. Het publiek verkoos de opera van Salieri. Door de kunstenaar acte de présence te laten geven, leverden Strauss en Von Hofmannsthal echter hun bijdrage aan een genre dat vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw een opvallende opmars beleefde: opera’s over de scheppingsdaad. Von Hofmannsthal zelf wees op de overeenkomsten tussen een belangrijke voorloper – Die Meistersinger van Wagner – en het libretto van het Vorspiel. Andere componisten hadden dit gegeven in zulke uiteenlopende werken als Osud en Der ferne Klang zeer verschillende benaderd. In de jaren na de eerste opvoering van Ariadne auf Naxos zouden vooral Duitse componisten op dit patroon voortborduren – Palestrina, Cardillac, Christophorus, Mathis der Maler – terwijl ook in twee latere werken van Strauss zelf, Intermezzo en Capriccio, een componist aantreedt.

Duet Zerbinetta & Komponist (Natalie Dessay & Sophie Koch, Palais Garnier, Paris 2003)

Janine Jansen

Het is niet overdreven om de foto die Marco Borggreve maakte van stervioliste Janine Jansen iconisch te noemen. Zonder dat we een gezicht zien, weten we immers dat de persoon op de foto Janine Jansen is. Vol energie, passie en met haar instrument centraal in beeld.  In de afgelopen twintig jaar heeft Janine Jansen de klassieke-muziekwereld stevig wakker geschud. Met haar ontwapenende podiumprésence en magnifieke technische vaardigheid veroverde de violiste alle muziekpodia. Volgens The New York Times behoort ze tot de belangrijkste solisten van de wereld. ‘Ze is een scherpzinnige luisteraar, en als kamermuziekpartner zo bedreven en innig als je maar kunt wensen.’ Ze imponeert als een echt ‘muziekdier’. Wie haar wel eens live heeft zien optreden, zal dat ook ervaren hebben. Die gedrevenheid, dat engagement. Muziek is alles voor haar.

Janine Jansen (foto Marco Borggreve)

Eigenlijk zijn we allemaal zangers

Janine groeide op in een muzikaal nest. Haar vader en haar opa verzorgen decennialang de muziek in de Dom van Utrecht. Haar ouders over haar jeugd: ‘We zijn eigenlijk allemaal zangers. Bundels op tafel, Ars Musica, en zingen maar – dat was vroeger het adagium. Als het even kon meerstemmig. Veel kinderliedjes zongen we ook. Een dirigent was niet nodig – dat ging vanzelf. Janine kon al liedjes zingen voor ze één jaar was.’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat Janine en haar twee broers op piepjonge leeftijd een muziekinstrument kregen. Janine is zes jaar oud als ze viool gaat spelen. Haar talent openbaart zich ogenblikkelijk bij de vermaarde vioolpedagoge Coosje Wijzenbeek. Ze ontwikkelt zich razendsnel, gedragen door een goede lerares en een gezin waarin muziek maken dagelijkse kost is.  Nog heel jong wordt ze aangenomen op het Utrechts conservatorium, waar ze diep onder de indruk raakt van haar leraar Philip Hirschhorn. Deze grote violist, die in 1967 het Koningin Elisabeth Concours won, heeft door onder meer een zwakke gezondheid nooit een grote carrière gemaakt. Hij draagt echter als leraar sterk bij aan Janine’s muzikaal-violistische vorming. Janine studeert aan het conservatorium af met de hoogste onderscheiding.

Ze werkt dan al flink aan haar carrière als soliste, onder meer bij het Concertgebouworkest. De aandacht van de hele wereld krijgt ze vanaf 2002, na haar debuten in Londen en de USA met dirigenten als Vladimir Ashkenazy en Neeme Järvi. Vanaf 2003 brengt een groot contract met het platenlabel Decca haar binnen de kortste keren in de frontlinies van de klassieke muziekwereld.

Man met de hamer

Jarenlang toert ze maand na maand de wereld rond en vindt overal volle zalen. Uit de koffer levend in hotels leiden de werken van de grote componisten haar van grote zaal naar grote zaal, van continent naar continent. Dat is slopend en op dertigduizend voet hoogte is het slecht slapen. Nooit eerder dan in onze tijd, met al zijn media en snelle transport, wordt er door de wereld zo’n beslag gelegd op vertolkers van klassieke muziek. Janine houdt het lang vol, jong en gedreven als ze is, maar rond 2010 weet de spreekwoordelijke man met de hamer haar te vinden. De klap komt hard aan. Janine begeeft zich spoorslags in retraite. Lang duurt het echter niet eer ze zich weer openbaart aan de wereld. Fris als altijd bestijgt ze het podium en laat als tevoren van zich horen.

IJzige noten hemels laten klinken

Janine neemt exclusief op voor Decca Classics. Een van haar meest recente opnames 12 Stradivari is een unieke verkenning van 12 grote Stradivarius violen en het repertoire dat deze buitengewone instrumenten inspireerde. Het gekozen repertoire is speciaal samengesteld door Janine Jansen om de unieke kwaliteiten van elke viool te laten horen. Onlangs verscheen haar samenwerking met het Oslo Philharmonisch Orkest onder leiding van de Klaus Mäkelä, die unaniem lovend werd onthaald door de pers: ‘Er is geen vioolconcert waarin de solist zo’n broze, dissonante inzet heeft als het Vioolconcert van Jean Sibelius. En er zijn maar weinig violisten die de ijzige beginnoten hemels kunnen laten klinken. Janine Jansen is er daar absoluut één van. Op haar nieuwe album neemt ze het orkest op sleeptouw met een klank als glinsterende sneeuwbloemen op het raam.’ (De Volkskrant)

Klein voorproefje van het Vioolconcert van Sibelius door Janine Jansen, samen met het Orchestre de Paris onder leiding van Klaus Mäkelä, maar 2023)

Schubert in beeld

Het klassieke beeld dat we van Schubert hebben is dat van een componist die jong stierf en slechts in beperkte kring bekend was in zijn geboortestad Wenen. Een voorstelling die perfect past in het romantische beeld van de kunstenaar die eenzaam op zolderkamertje in armoedige omstandigheden zijn meesterwerken schrijft.

De werkelijkheid is in de meeste gevallen iets genuanceerder, zo ook bij Schubert. In de eerste plaats was Schubert bepaald niet eenzaam en geheel onbemiddeld was hij ook niet. Dat hij veel te vroeg stierf, is wel weer waar.

En juist omdat zijn vriendenkring flink wat kunstenaars telde, is er een behoorlijk aantal portretten van Schubert gemaakt. Het meest bekende portret is de aquarel die Wilhelm August Rieder in 1825 van hem maakte. Volgens anderen had Rieder zijn vriend hier opvallend goed getroffen. Naar verluid had Rieder het gemaakt toen hij tijdens een storm een veilig heenkomen zocht en even schuilde bij Schubert.

De vrienden ondertekenden het aquarel en Rieder vermelde er nog bij dat het ‘nach der Natur’ getekend was. Later is ook de sterfdatum van Schubert nog toegevoegd.

Op dit portret zien we een jonge man ‘en trois quart’: hij zit niet recht naar de toeschouwer toe, maar heeft zich ook niet helemaal afgewend; een rond gezicht met een hoog voorhoofd, een rond brilletje waarachter ietwat dromerige ogen en bakkebaarden. In zijn hand houdt hij een boek vast, alsof Rieder hem al lezend aantrof, toen hij binnen kwam rennen om te schuilen tegen de regen.

Van het aquarel maakte Rieder later een lithografie en hij schilderde nog meer portretten met telkens dit aquarel als uitgangspunt. Zo heeft dit beeld van Schubert zich in ons collectieve geheugen gegrift.

Dan valt ook de schets op die Leopold Kupelwieser al in 1821 van Schubert maakte en de schets uit 1825 die mogelijk van de hand van Josef Eduard Teltscher is. Weer zien we dat hoge voorhoofd, dat kenmerkende ronde brilletje en bakkebaarden die een rond gezicht omlijsten. Zowel Kupelwieser als Teltscher waren vrienden van Schubert.

Ook de schets die Friedrich Johann Gottlieb Lieder in 1827 maakte, toont grote gelijkenissen. Nu maakte Friedrich Johann Gottlieb Lieder geen deel uit van de vriendenkring van Schubert. Hij had naam gemaakt als portrettist en het lijkt erop dat deze schets een voorstudie is geweest voor een aquarel die Lieder in opdracht Johann Esterházy heeft vervaardigd. Het is niet bekend op basis waarvan hij deze schets heeft gemaakt. Had hij een voorbeeld of heeft hij Schubert ergens ontmoet en toen snel een schets gemaakt?

Wie bovenstaande beelden kent, vindt Schubert dan ook met gemak terug op allerlei aquarellen die vrienden van Schubert hebben gemaakt tijdens uitjes en bijeenkomsten, zoals de volgende aquarel:

De vrienden moeten veel plezier hebben gehad bij de opvoering van een pantomimespel, met de verbeelding van de zondeval. Kupelwieser is de Boom der Kennis terwijl Schobert zich als de slang om hem heen vouwt. Broer en zus Franz en Therese Derffel verbeelden Adam en Eva. Schubert zelf vinden vooraan terug, aan de piano (bril: check, bakkebaarden: check, rond gezicht met hoog voorhoofd: check).

En dan de ingekleurde ets van Ludwig Mohn, gebaseerd op tekeningen van Franz von Schober and Moritz von Schwind, waarschijnlijk uit 1823, met als titel Atzenbrugger Ballspiel.

Het gezelschap vermaakt zich prima in de buitenlucht, de een musiceert, de ander heeft net een bal omhoog geworpen en ja wel …. helemaal vooraan. Daar zit Schubert rustig op de grond een pijp te roken.

De vrienden waren geregeld op Schloss Atzenbrugg te vinden. De neef van Franz von Schober was hier rentmeester, de vrienden konden daarom makkelijk hier een aantal dagen vertoeven. De eerste Schubertiades vonden ook hier plaats.

En er zijn meer van dit soort ‘vakantie-kiekjes’ waarop Schubert terug te vinden is.

En dan tot slot het schilderij in de junimaand van de MUSICO-kalender. Het schilderscollectief RAVAGE maakte dit schilderij een aantal jaar geleden. Het is duidelijk dat RAVAGE zich heeft laten beïnvloeden door de tekeningen en schetsen van Rieder en Kupelwieser.

Maar nu zien we Schubert ‘en profil’, brilletje en bakkebaarden zijn ook weer aanwezig. Toevoeging is de lichte blos op de wangen. Heeft Schubert net een flinke wandeling gemaakt à la ‘Das Wandern’ uit Die Schöne Müllerin?

Van melancholie of dromerigheid is in elk geval geen sprake. De persoon Schubert kunnen we niet meer terughalen, maar in zijn portretten kan iedereen wellicht zijn eigen zelfportret zien, of zijn eigen gemoedstoestand vertolkt zien. De muziek van Schubert sluit hier altijd naadloos bij aan, van ongekunsteld opgewekt zoals bijvoorbeeld het afsluitende Presto Vivace uit de Tweede Symfonie tot de tragiek in ‘Der Leiermann’, het laatste lied uit Winterreise.