Susan Dorrenboom studeerde Muziekwetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Na diverse omzwervingen kwam ze bij MUSICO Reizen terecht, waar zij reizen samenstelt, plant, organiseert en begeleidt.
Van harte welkom bij de eerste aflevering van de MUSICO Quiz.
Hieronder kunt u de eerste aflevering van de MUSICO Quiz zien. In deze aflevering vragen MUSICO-reisleiders Marlies Geurts en Robert Andriessen u de oren van het hoofd. Antwoorden op hun vragen kunt u op het online-formulier onder de film invullen. Meedoen betekent meedingen naar een eendaagse reis naar keuze in ons abonnement eendaagse reizen 2020/2021. Winnaar is degene die na vier afleveringen de meeste vragen goed beantwoord heeft. U kunt uw antwoorden voor deze eerste aflevering inzenden tot en met donderdag 11 juni 2020. Veel plezier!
MUSICO Quizzz, aflevering 1
U kunt geen antwoorden meer inzenden. De antwoorden op de vragen vindt u hier.
Titel: Het tumult van de tijd Auteur: Julian Barnes 2016, ISBN 9798 0254 46611 Vertaling van The Noice of Time door Ronald Vlek Uitgever:Atlas Contact
Wie was Dmitri Sjostakovitsj? Wat dacht hij? Wat deed hij,
behalve componeren, drinken en voetbal kijken.
Hij was een volstrekt gesloten man. Of zoals Mariss Jansons in 2006 in de Volkskrant zei: “Maar je kreeg moeilijk hoogte van hem. Aan de buitenkant zag je nooit wat … Zijn gezichtsexpressie was effen.”
Wat Dmitri Sjostakovitsj precies dacht, zullen we nooit meer
achterhalen. Dat is de portee van alle recensies over boeken die over deze
Russische componist zijn geschreven.
Was dit gedrag lijfsbehoud? Daar lijkt het wel op, als je
zijn levensgeschiedenis legt naast de grote historische gebeurtenissen in Rusland.
‘Hij werd geboren in Sint-Petersburg, groeide op in Petrograd en werd volwassen
in Leningrad (of Sint-Leningrad zoals hijzelf soms zei)’.
Het is een klein zinnetje in de roman van Julian Barnes over
Sjostakovitsj, maar het zegt alles over de willekeur van de dictators waaronder
hij moest leven. En leven onder een dictator als Stalin die irrationeel en
volledig willekeurig als een blad aan de boom kon draaien, deed je het liefst
in volstrekte anonimiteit.
Getergd door de muziek
Anonimiteit was Sjostakovitsj inmiddels niet meer gegund.
Hij had al naam gemaakt en zijn opera Lady Macbeth uit het district Mtsensk
toerde inmiddels met succes al ruim twee jaar door de wereld, toen Stalin – om
wat voor redenen dan ook – getergd raakte door de muziek. En ‘getergd’ was
genoeg om een leven te vernietigen.
In de willekeur van Stalin kende men nog maar twee soorten
componisten: zij die in angst leven en zij die niet meer leven. Zo kwam de
angst in het leven van Sjostakovitsj en vele, vele anderen.
Wachten met een koffertje bij de lift
Julian Barnes weet de angst in bedrieglijk eenvoudige zinnen
voelbaar te maken. Het kruipt onder je huid. Barnes maakt de irrationele angst
rationeel. De angst om ’s nachts opgehaald te worden was zo enorm dat ’s avonds
Sjostakovitsj zijn koffertje al klaar zette. De avond daarna besloot hij om
gekleed op bed te gaan liggen zodat de vernedering zich voor de mannen die hem zouden
komen ophalen, te moeten aankleden hem bespaard zou blijven. Uiteindelijk nam
hij zelfs ’s avonds afscheid van zijn vrouw en kind en ging alvast bij de lift staan,
om zo zijn vrouw zijn vernedering om opgehaald te worden te besparen. Nachtenlang.
Merkwaardigerwijs werd Sjostakovitsj niet opgehaald. Misschien
was zijn ondervrager zelf intussen verdacht geworden en was de aandacht
tijdelijk naar iemand anders verschoven. Het waken bij de lift hield op, het
gekleed op bed liggen wachten ook. Uiteindelijk pakte Sjostakovitsj zijn
koffertje weer uit en ging weer componeren. Wat scheelde was dat hij als burger
en de Grote Roerganger (een van de vele bijnamen van Stalin) intussen met
dezelfde vijand werden geconfronteerd in de Tweede Wereldoorlog. Merkwaardigerwijs
brak er een periode aan van betrekkelijke rust voor de ziel.
Maar van blijvende rust voor de ziel is geen sprake. De
Grote Leider zou hem in 1949 persoonlijk opgebeld hebben met de mededeling dat
Sjostakovitsj de Sovjet-Unie moest vertegenwoordigen tijdens de Cultural and
Scientific Conference for World Peace in New York. En of dit gesprek
daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of niet, doet niet ter zake. Noch of Sjostakovitsj
daadwerkelijk heeft gezegd dat hij niet kon gaan omdat hij zijn land niet als
componist kon vertegenwoordigen in Amerika terwijl in eigen land zijn muziek in
de ban was gedaan. Feit is dat vlak voor vertrek Sjostakovitsj weer in genade
was aangenomen en zijn muziek weer gespeeld mocht worden.
Stil protest
In New York
hield Sjostakovitsj twee speeches. Dat wil zeggen, hij liet ze voorlezen
door zijn vertaler waarmee hij op zijn manier duidelijk maakte dat het niet
zíjn speeches waren. Het was zijn enige vorm van stil protest. Helaas begrepen
niet alle journalisten indertijd dat het niet zelf gekozen woorden waren die de
vertaler uitsprak. En dat terwijl de speeches bol stonden van de holle retoriek
over formalisme en realisme. Termen die gebezigd werden in de aanvallen door
het stalinistisch bewind op componisten die hun eigen weg zochten.
‘Spring uit het raam’, stond er op borden onder het hotel waar Sjostakovitsj verbleef tijdens deze conferentie. Natuurlijk deed hij dat niet, hij had thuis zijn vrouw en twee kinderen. Dat was een enorme verantwoordelijkheid.
Oproep aan Sjostakovitsj om politiek asiel aan te vragen
In opleiding tot volmaakt Sovjet-burger
En juist deze verantwoordelijkheid bleef hem zijn leven lang
achtervolgen. Als Stalin vond dat Sjostakovitsj niet voldoende op het rechte pad
bleef, dan kreeg de componist een boekenlijstje en een persoonlijk mentor. Dat
leverde weer een extra probleem op dat Barnes haarfijn fileert. Tijdens de
lessen genoot Sjostakovitsj een zekere mate van bescherming, want hij was ‘in
opleiding’. Maar hoelang kon hij deze lessen rekken? Wat zou er gebeuren als de
lessen niet het gewenste effect hadden? Niet alleen met hem maar ook met zijn
mentor die dan blijkbaar te kort schoot in zijn pedagogische kwaliteiten?
In de tijd van Galilei was een collega-geleerde Niet dommer dan Galilei Hij wist best dat de aarde draaide Maar het ook een groot gezin te voeden.
(Carrière van Jevtoesjenko uit diens bundel Armzwaai, geciteerd in Het tumult van de tijd)
Als Stalin dan eindelijk overlijdt, lijkt het te gaan dooien in de Sovjet-Unie. Ja, er komen mensen terug uit de kampen, de Partij lijkt aan zelfkritiek te doen. Moet Sjostakovitsj dan niet eindelijk lid worden van de Partij, als blijk van erkenning dat er iets is veranderd in de Sovjet-Unie?
Een leven lang een lafaard of heel even heel dapper?
Het is moment waarop Sjostakovitsj in de roman van Barnes
breekt. Sjostakovitsj vindt zichzelf in de woorden van Barnes een lafaard. Maar
is het niet veel moeilijker een leven lang lafaard te zijn dan een held? ‘Daarvoor
hoef je maar heel even dapper te zijn, namelijk alleen op het moment dat je de
tiran uit de weg ruimt, en ook jezelf’.
Wat Sjostakovitsj ook dacht of voelde, we zullen het nooit zeker weten. Maar de angst en de onmogelijke spagaat waarin Sjostakovitsj verkeerde – en met hem vele anderen – maakt Barnes beklemmend voelbaar. Je wilt het uitschreeuwen dat Sjostakovitsj voor zichzelf moet kiezen, moet opstaan tegen de leugens die over hem verspreid worden. Maar wat ik zelf zou doen in zo’n situatie, met achter je je vrouw, je twee kinderen, je moeder, je vrienden? Ik weet dat zo net nog niet.
Het boek is uit, ik heb het koud gekregen. Van binnen en van
buiten. Het wordt tijd op te warmen, in de tuin. In vrijheid.
Koesteringspatina. Het is verreweg het mooiste woord dat ik tegenkwam bij de voorbereiding op dit blog. Zo noemt men de plek op bronzen beelden die gaat oplichten als deze vaak wordt aangeraakt door bijvoorbeeld pelgrims. Gabriel d’Annunzio, een van de hoofdpersonen van de opera Ritratto kreeg zo’n plek op zijn kostuum rond het kruis om zijn fallische obsessie vorm te geven.
Een levend kunstwerk
Gabriel d’Annunzio was lange tijd de minnaar van Luisa Casati, over wie Ritratto gaat. Luisa Casati, voluit Luisa Camillo Casati Stampa di Soncino, Marchese di Roma, was een puissant rijke vrouw in de eerste helft van de 20e eeuw. Invulling in haar leven vond zij door muze te zijn voor kunstenaars en van haar zelf een levend kunstwerk te maken. Dat betekende uitwandelen gaan met een in goud gekleurde bediende en twee luipaarden en zelf gekleed in niet meer dan een bontjas. Maar het betekende gelukkig ook dat ze een enorme schare aan kunstenaars de kans gaf werk te maken. Een levend kunstwerk is immers geen blijvende kunst. Geschilderde portretten wel.
Luisa Casati (Kees van Dongen)
Luisa Casati (Romaine Brooks)
En zo komen onder meer de kunstenaars Léon Bakst, Man Ray, Cecil Beaton, Kees van Dongen en Romaine Brooks in haar leven. Zij legden haar vast in ruim 200 portretten. Maar ook mensen als Sergei Diaghilev en dus ook Gabriele d’Annunzio, de zeer gevierde dichter met vele verhoudingen, romances en affaires op zijn cv.
Fantasia en verita
Voor de opera Ritratto brachten componist Willem Jeths en librettist Frank Siera het leven van Luisa Casati samen tot een anderhalf durende opera, een zoektocht naar ‘fantasia e verita’ (fantasie en waarheid). Want wat is de waarde van kunst en vooral van levende kunst, als de wereld in brand lijkt te staan? De opera speelt zich af tijdens een feestavond; Luisa Casati was beroemd om haar extravagante feesten. En op het toneel heeft zich een dwarsdoorsnede uit de kunstenaars en minnaars verzameld waarmee Casati zich zo graag omringde: niet alleen Gabriele d’Annunzio maar ook Kees van Dongen, Man Ray, Jacop Epstein, Filippo Marinetti, Sergei Diaghilev en Romaine Brooks. Kunstenaars die elkaar in het echt nooit zo op een avond hebben ontmoet.
Koesteringspatina met rozenblaadjes
Jan Taminiau ontwierp de kostuums voor de opera. Prachtige creaties, bizar en met voor Gabriele d’Annunzio dus dat koesteringspatina rond zijn kruis. Er hangt daar ook een soort bakje waar dan weer heel schattig rozenblaadjes uit gestrooid kunnen worden. Voor Romaine Brooks echter een ‘gewoon’ rokkostuum. Zij lijkt in de opera de enige te zijn die meer waarde hecht aan ‘verita’ dan aan ‘fantasia’.
Willem Jeths schreef toegankelijke maar wel heel intense muziek, met hier en daar citaten uit de muziekgeschiedenis bij wijze van herkenningspunten (zo komt onder meer Tristan & Isolde voorbij). En waar de belichting op het toneel heel sober is, speelt Jeths in de muziek voortdurend met kleur.
Interview Els de Graaff & Remco Roovers
Luister hieronder naar een interview dat Remco Roovers had met MUSICO-reizigster Els de Graaff die betrokken is bij de Nationale Opera Studio. Ritratto is speciaal geschreven voor de Nationale Opera Studio.
Vraaggesprek over Ritratto en de Nationale Opera Studio
En hier nogmaals de link naar de podcast van Radio4 over de voorbereiding op deze opera.
En tot slot uiteraard de link naar de streaming van deze opera. Deze streaming blijft beschikbaar zolang De Nationale Opera gesloten blijft in verband met het coronavirus.
Twee meesterwerken, beide wereldberoemd, beide een uitdaging voor elke musicus die eraan begint. En beide hebben een binding met Pasen, of beter gezegd: met Goede Vrijdag. Maar hoever kunnen twee werken uit elkaar liggen? U kunt het deze week ervaren.
Matthäus-Passion
Aan de ene zijde van het spectrum de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach. Uiteraard hoort bij Goede Vrijdag het opvoeren van de Matthäus-Passion. En zeker Nederland kent een heel rijke traditie aan ‘Matthäus-en’. Welk koorlid zingt niet minimaal een keer in zijn leven de Matthäus-Passion? Maar dit jaar is alles anders, geen ministeriële parade in Naarden, geen top-uitvoeringen door de oude muziek-specialisten op de bekende concertlocaties en zelfs geen lokale initiatieven van het plaatselijk koor en orkest.
Daarom hebben wij voor u een opvoering gekozen die reeds op youtube staat: de opvoering die Philippe van Herreweghe verzorgde met zijn Collegium Vocale Gent in de Philharmonie in Keulen in 2010.
Matthäus-Passion van J.S. Bach door het Collegium Vocale Gent onder leiding van Philippe Herreweghe in de Philharmonie Köln, maart 2010
Parsifal
Aan de andere kant van het spectrum de opera Parsifal van Richard Wagner. Er bestaat een zekere traditie – in elk geval in Duitsland – om op Goede Vrijdag Parsifal op te voeren omdat een deel van het verhaal zich ook op Goede Vrijdag afspeelt. En misschien ook wel omdat de opera over verlossing gaat.
Op 10 april toont de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn de opera Parsifal onder leiding van Wagneriaan Daniel Barenboim en in een enscenering van Dmitri Tcherniakov. Solisten: Andreas Schager, Anja Kampe, Wolfgang Koch, René Pape, Tómas Tómasson.
U kunt deze voorstelling bekijken op 10 april vanaf 12.00 uur tot de volgende dag 12.00 uur (Nederlandse tijd) [link is inmiddels verwijderd want het is niet meer mogelijk deze voorstelling te bekijken].
En een introductie van Taco Stronks en Remco Roovers
Uiteraard hebben Taco Stronks en Remco Roovers het nodige te zeggen over deze twee uitersten. Kijk hier naar hun wekelijkse filmpje (ook zo benieuwd welk Zeeuws meisje er nu weer aan de muur hangt?).
Introductie van Taco Stronks en Remco Roovers over de Matthäus-Passion en Parsifal
Wat is uw keuze?
Welke Matthäus-Passion maakte de meeste indruk op u? En wellicht heeft u ook een memorabele Parsifal? U kunt uw reactie onderaan dit blog achterlaten.
Dan nog de filmtip van Remco: de film The Matrix uit 1999. Hieronder volgt een link naar deze film (deze film is niet gratis te bekijken):
The Matrix, te koop of te huur via youtube.
Tot slot
Alles bij elkaar weer een volle agenda voor deze week om te kijken. Daarom tot slot nog een podcast-tip. Radio4 maakte de podcast Making an opera waarin gedurende anderhalf jaar het proces van het maken van een nieuwe opera (Ritratto van Willem Jeths) gevolgd wordt. Geweldig luistermateriaal tijdens een rondje op de hometrainer of weinig interessante huishoudelijke klusjes. Volgende week meer hierover!
Deze week in het MUSICO Thuistheater de opera Falstaff van Verdi. Verdi en librettist Boito schreven hun opera op basis van diverse toneelstukken van Shakespeare waarin de figuur Falstaff voorkomt. De hele handeling van Falstaff is in één zin samen te vatten: het gaat om de vergeefse pogingen van Falstaff om tegelijk Alice Ford en Meg Page te verleiden. De gevolgen en bijkomstigheden krijgen alle aandacht, waarbij het jonge liefdespaar Nannetta en Fenton laat zien hoe het wèl moet met de liefde.
Falstaff was Verdi’s laatste opera en ging in 1892 in première in Milaan, waarna onmiddellijk een ware zegetocht door Europa volgde. Binnen een jaar had bijvoorbeeld Sint-Petersburg zijn eigen Falstaff, met onder meer Fyodor Stravinsky, de vader van Igor Stravinsky, als één van de solisten. Daarna bleef het Falstaff-technisch lang stil in Sint-Petersburg. Pas ruim een eeuw later, in 2006, kwam het tot een tweede opvoering en in 2018 volgde een derde enscenering. Deze enscenering, die de MUSICO-groep komende week in Sint-Petersburg zou gaan zien, is ook online te vinden maar helaas niet met ondertiteling.
Daarom bieden u vandaag in ons MUSICO Thuistheater twee andere ensceneringen aan. Uit Hamburg de enscenering van Calixto Bieto (met Ambrogio Maestri als Falstaff) en vanuit Picenza de enscenering van Leonardo Lidi (met Luca Salsi in de titelrol). Beide ensceneringen beleefden dit seizoen hun première maar verschillen verder dag en nacht van elkaar. Ik ben benieuwd wat u er van vindt. U kunt uw reacties onder aan dit blog kwijt.
Maar eerst een filmpje van mijn zeer gewaardeerde collega’s Remco Roovers en Taco Stronks over Falstaff.
Falstaff in Piacenza: “tutto nel mondo è burla”
In Picenza beleefde Leonardo Lidi met Falstaff zijn debuut als operaregisseur. Lidi komt uit de toneelwereld en heeft zijn inspiratie vooral uit het toneelwerk van Shakespeare gehaald. En uit de opvoeringspraktijk van Shakespeare. Zo schuwde men in de tijd van Shakespeare bepaald niet het contact met het publiek tijdens het spel. Integendeel! Monologen waren niet bedoeld om in het luchtledige te praten, maar als onderonsje met het publiek.
Falstaff in een enscenering van Leonardo Lidi in het Teatro Municipale di Piacenza (Italië) uit 2020
NB. De opera begint in deze video pas na ruim vijf minuten, u kunt dus even vooruitschuiven in het tijdsbalkje. NB. De ondertiteling is te regelen door op het ‘wieltje’ te klikken. Er opent zich dan een menu waarin men voor ondertiteling kan kiezen.
Falstaff in Hamburg: de dichter des levens
Het enfant terrible van de operawereld, Calixto Bieito, gaat er met gestrekt been in. Voor hem is Falstaff de dichter des levens en gaat de opera over eten en drinken, een deel van onze cultuur waar je niet om heen kunt.
NB. Om de video op volledig scherm te bekijken, klikt u op het icoontje rechts onderin de video. Dit icoontje komt pas in beeld nadat u de video gestart heeft. NB.De ondertiteling kunt u regelen door onderin op het chatbericht-icoontje te klikken (links van het wieltje). Er opent zich dan een menu waarin men voor ondertiteling kan kiezen in een bepaalde taal.
Teveel beeldschermtijd gehad?
Voor wie nu teveel beeldschermtijd heeft gehad, nog een laatste tip: een podcast over de Matthäus Passion. In aanloop naar Pasen gidst violist en Matthäuskenner Carel den Hertog u met Radio4-presentator Lex Bohlmeijer door de onmetelijke rijkdom van Bachs meesterwerk.
Alle operahuizen en concertzalen zijn de komende weken gesloten. Om toch niet helemaal verstoken te blijven van muziek, heeft een aantal operahuizen en concertzalen besloten registraties van opvoeringen en concerten online te zetten en opent MUSICO haar Thuistheater.
Op 20 maart toont de Metropolitan Opera uit New York de opera La fille du régiment van Donizetti met Natalie Dessay en Juan Diego Flórez, onder leiding van Marco Armiliato (opgenomen op 26 april 2008).
U kunt deze voorstelling bekijken op 21 maart vanaf 00.30 uur t/m 20.30 uur (Nederlandse tijd) via de volgende link: https://www.metopera.org/
Je kunt blij zijn, maar ook héél erg blij. En dat is Tonio, de tenorheld uit La fille du régiment. Speciaal om Parijs te veroveren schreef Donizetti een luchtige maar charmante ‘opera comique’ over een weesmeisje dat in het leger opgroeit en daar ook de liefde van haar leven ontmoet. Tonio dus, en Tonio is zo blij dat hij zijn Marie in de armen mag sluiten, dat hij pardoes 9 (negen!) hoge c’s zingt in de beroemde aria ‘Ah, mes amis’.
In het seizoen 2007/2008 bracht regisseur Laurent Pelly een droompaar samen voor vertolking van de hoofdrollen van La fille du régiment. Want voor deze komische opera heb je niet alleen topsporters nodig maar vooral ook zangers met een perfecte (komische) timing: Natalie Dessay en Juan Diego Flórez dus.
In het filmpje hieronder geven MUSICO-eigenaren Remco Roovers en Taco Stronks een korte inleiding op La fille du régiment (naast een korte samenvatting van de stand van zaken rond het Coronavirus).
Inleiding op La fille du régiment door Taco Stronks en Remco Roovers
Veel kijk- en luisterplezier! Ik ben benieuwd naar uw reacties. Dan ga ik ondertussen op zoek naar een nieuwe interessante streamings voor u.
La fille du régiment met Natalie Dessay en Juan Diego Flórez
Het is dagelijkse kost voor menig musicus: toonladders spelen. Het is de warming up: de vingers worden gestrekt, de spieren wakker geschud en de geest in startpositie gebracht voor nieuwe muzikale reizen. Het is tegelijk ook de slijpsteen voor de techniek: is de plaatsing in orde, is elke toon juist getroffen en vol van klank, zit er geen hapering in de gang naar boven en de afdaling naar beneden?
Toonladders: de meeste musici zullen ze spelen zonder acht
te slaan op de schoonheid en hanteren ze dagelijks puur functioneel. Maar
toonladders kunnen ook heel mooi zijn. Een van de mooiste zal ik aan het slot
van dit blog laten horen.
Wat is een toonladder?
Maar eerst de theorie. Want wat is een toonladder?
Een toonladder is niets meer dan een opeenvolging van noten in een bepaalde vaste volgorde. In de westerse muziek zijn het rijtjes van zeven noten. Denk aan de lessen in The Sound of Music waarin Maria de kinderen Von Trapp de namen van noten in een toonladder leert met ezelsbruggetjes:
Doe, a deer,
a female deer
Ray, a drop of golden sun
Me, a name I call myself
Far, a long, long way to run
Sew, a needle pulling thread
La, a note to follow Sew
Tea, a drink with jam and bread
That will bring us back to Do (oh-oh-oh)
Do-re-mi-fa-so-la-ti-do
Do-Re-Mi uit de film The Sound of Music (1965)
De meeste klassieke-muziek-musici studeren twee soorten toonladders. De majeur toonladder en de mineur toonladder.
Wat is majeur en wat is mineur?
Zoals zo vaak, loopt de theorie mijlenver achter op de praktijk. En de praktijk van toonladders laat zich moeilijk in theorie vangen. Al sinds de mensheid probeert om muziek in woorden te vangen, in een theoretisch kader te plaatsen, lezen we over rijtjes van opeenvolgende tonen. De oude Grieken hadden al een ingewikkeld systeem van tetrachorden (rijtjes van vier tonen) die weer aan elkaar gekoppeld konden worden.
Lang verhaal kort: in de middeleeuwen transformeerde men het Griekse systeem tot een systeem van de zogenaamde kerktoonladders (oftewel modi, enkelvoud: modus). De namen van die verschillende modi waren afgeleid van hun Griekse voorgangers uit de Oudheid. Bovendien kregen deze modi elk ook een karaktereigenschap mee, van blijmoedig tot droevig, van mystiek tot harmonieus. Deze karakters werden bepaald door verschillen in de onderlinge toonafstanden binnen de toonreeksen van de modi. Dus niet elke toonafstand in elke modus was gelijk.
Tot aan de barok waren deze modi in gebruik. In muziek van
voor de barok zijn in de door de componisten gebruikte melodieën vaak
karaktervolle elementen aan te wijzen die zijn terug te voeren op specifieke
modi. Maar tijdens de barok verandert er iets in de wijze van componeren, en
dat had ingrijpende gevolgen.
Van lineair naar verticaal
In plaats van lineair te denken (dus in melodieën met tegenmelodieën,
waarbij elke stem in principe even belangrijk is), gaat men veel meer verticaal
denken. De opeenvolging van bepaalde samenklanken wordt belangrijker. Bovendien
en gelijktijdig krijgt men de voorkeur voor twee kerkmodi, te weten de ionische
modus en de aeolische modus. Deze namen mag u direct weer vergeten. Maar hun
klankbeeld is wel bepalend geweest voor de westerse muziekgeschiedenis. Want we
hebben het hier over respectievelijk de majeur toonladder en mineur toonladder.
Dit zijn de twee toonladders waaruit het merendeel van de klassieke muziek is
opgebouwd.
De majeur toonladder heeft u al gehoord bij de Sound of Music. De mineur toonladder is goed te horen in het derde deel van de Eerste Symfonie van Mahler. In dit deel maakt Mahler een parafrase op de beroemde canon Frère Jacques (inderdaad, in Nederland beter bekend als Vader Jacob). Maar het klinkt nét even ander dan gewend. Normaal klinkt deze canon in majeurtoonladder, maar Mahler heeft het lied omgezet naar een mineurtoonladder.
Derde deel uit de Eerste Symfonie van Mahler, Orchestre de Paris o.l.v. Christoph Eschenbach (2008, Salle Pleyel)
De derde toon
Het grootste verschil tussen een majeur en een mineurtoonladder
is de derde toon van de toonladder. Deze is bij een mineurtoonladder lager dan
bij een majeurtoonladder (een kleine terts in plaats van een grote terts).
De basis van majeur- en mineurtoonladders is zoals aangegeven vanaf de barok zeer bepalend geweest voor de ontwikkeling van de westerse muziekgeschiedenis. Richting het einde van de negentiende eeuw werden de mogelijkheden binnen dit systeem van toonladders echter steeds verder opgerekt. Vroeg in de twintigste eeuw namen een aantal componisten, waaronder Arnold Schönberg en Anton Webern daarop een radicaal besluit, maar daarover in een later blog meer.
Toonladderfiguren
Vanaf de barok zijn in de muziek dus veel toonladderfragmenten te horen. Luister bijvoorbeeld eens naar het Concert voor strijkers in g, RV.156 van Vivaldi, waarin in het eerste deel veel toonladderfiguren zijn te horen.
Concert voor strijkers in g, RV 156 van Vivaldi door Concerto Köln (maart 2012, Concertgebouw in Amsterdam.)
Ook veelvoorkomende muzikale frases vanaf deze periode zijn drieklanken. Bij een drieklank vliegt men hink-stap-sprongsgewijs door de toonladder heen, waarbij men alleen de belangrijkste tonen aanraakt. Zoals bijvoorbeeld te horen is in Symfonie nr.39 van Mozart. De langzame inleiding (het Adagio) begint met een serie akkoorden, gelardeerd met toonladderfiguren. Vanaf 0:51 minuut zet de fluit in met drieklanken. Het aansluitende snellere deel (het Allegro) opent ook weer met drieklanken in de strijkers.
Symfonie nr 39 van Mozart door hr-Sinfonieorchester o.l.v. Andrés Orozco-Estrada (Alte Oper Frankfurt, 10 September 2020)
Mijn mooiste?
O ja, ik had u nog mijn mooiste toonladder beloofd. Luister eens naar de Pas de deux van de prins en de suikerfee in De notenkraker van Tsjaikovski. Heel beroemd, maar dat we hier eigenlijk naar een toonladder luisteren, zal de meeste mensen in eerste instantie niet opvallen. Totdat je het weet. Geniaal toch?
Pas de deux uit De notenkraker van Tsjaikovski door The National Philharmonic of Russia o.l.v. Vladimir Spivakov
Hiervoor studeer je als musicus toch graag je toonladders?
In het eerste
deel over muziektheorie stonden we aan de bakermat van de westerse muziek, het
contrapunt waarbij twee melodielijnen gelijktijdig klinken. Hierbij was het
voor de eerste componisten van meerstemmige muziek van meet af aan al duidelijk
welke samenklanken mooi waren en welke niet.
Maar waarom vond men de samenklank van een kwint wel mooi en van een secunde niet aangenaam? Wie heeft dat ooit bedacht? Om daar achter te komen is het noodzakelijk een uitstapje te maken naar het gedachtegoed van de Oude Grieken.
de samenklank van een kwint
de samenklank van een secunde
Pythagoras
Volgens de legenden hoorde Pythagoras – de beroemde filosoof en wiskundige uit de zesde eeuw voor Christus – toen hij langs een smidse liep, hoe de verschillende hamers ook verschillende klanken op het aambeeld voortbrachten. Het bracht hem op een idee hier iets mee te doen, want het frustreerde hem behoorlijk dat de mens wel een passer en liniaal had uitgevonden om zichtbare zaken op te meten en een weegschaal om voorwerpen te wegen, maar dat er nog geen methode was om klanken in ‘meetbare eenheden’ te noteren.
Pythagoras (Romeinse kopie naar een Grieks origineel, Musei Capitolini)
Zijn experimenten leidde tot de ontwikkeling van een ‘monochord’, een eensnarig instrument waarvan Pythagoras de kam heen en weer kon schuiven om de snaar korter of langer te maken. En met dit instrument deed Pythagoras zijn beroemde ontdekkingen over de relatie van de lengte van de snaar en de toonhoogte, misschien wel hét basisbeginsel van de muziektheorie.
Werd de snaar met de helft bekort, dan klonk de toon een octaaf hoger. Wiskundig kun je dit uitdrukken met de getalsverhouding 1:2. En met andere eenvoudige verhoudingen van de getallen vond Pythagoras ook het interval kwint (2:3) en kwart (3:4). Klinkt misschien ingewikkeld maar de uitdrukking ‘Muziek is geometrie’ is dan ook van Pythagoras.
Een snaar in beweging geeft een bepaalde toon.De snaar wordt met de helft bekort: de toon klinkt een octaaf hoger.
Harmonie der sferen
Pythagoras constateerde echter nog iets anders: wanneer hij tokkelde op een snaar, zag hij deze trillen én hij hoorde een geluid. Ergo conclusio: beweging is geluid en geluid is beweging. Aangezien de planeten bewegen, maken zij dus geluid. En omdat de Oude Grieken van mening waren de omlooptijden van de planeten gelijk was aan verhoudingen die Pythagoras voor het octaaf, kwint en kwart had gevonden, waren deze intervallen ook in de zogenaamde macrokosmos (de wereld buiten de aarde) te horen. Men sprak in dat verband over ‘harmonie der sferen’.
“De harmonische
natuur van muziek reflecteert de harmonie van de schepping” (Pythagoras)
Juist deze gedachtegang pikte men in de middeleeuwen weer op en verbond het aan een christelijk wereldbeeld. Ook in de middeleeuwen sprak men over een macrokosmos (dus daar waar God en de engelen wonen) en een microkosmos (daar waar de mens leeft).
In de macrokosmos is wat God geschapen heeft,
intact gebleven. In de microkosmos, op aarde dus, is na de zondeval zoals die
in Genesis 3 wordt beschreven, de goede orde verloren gegaan.
De goede orde was volgens de middeleeuwers gebaseerd op bepaalde, goede getalsverhoudingen. Want immers, zo staat in Wijsheid van Salomo 11:21 (inmiddels een apocrief Bijbelboek), God heeft alles in maat, getal en gewicht geordend. En in 1 Korintiërs 14:33 staat dat “God niet een God van wanorde is, maar orde”. Die goede orde is in de macrokosmos dus nog aanwezig.
Concert van de engelen – detail (Gaudenzio Ferrari, 1534-1536)
Goddelijke orde in muziek
Als de mens in de microkosmos zich zou richten op de getalsverhoudingen die in de macrokosmos dus nog bestaan – en dat zijn dan de getalsverhoudingen waar Pythagoras het al over had – dan zou men zicht krijgen op de orde die God ook voor de microkosmos geschapen had.
Omdat deze getalsverhoudingen in de muziek
hoorbaar zijn – namelijk als de intervallen octaaf, kwint, kwart, terts etc –
kan de mens door middel van muziek de goddelijke orde weer beleven. De mens kan
dan terugkeren bij de schoonheid en harmonie van de ongerepte schepping.
En zo kregen de intervallen octaaf, kwint, kwart en terts de intervallen het predicaat consonant (aangenaam klinkend). Andere intervallen, zoals de secunde en de septiem kregen het predicaat dissonant en diende men te vermijden. Althans, geen nadruk op te leggen. Het waren dan ook consonante intervallen waarop de eerste meerstemmige muziek is gebaseerd.
Maar muziek met alleen consonante intervallen zou toch wel een saai beeld opleveren. Daarom in de volgende aflevering van de serie over muziektheorie meer over hoe mooi en spannend dissonante intervallen kunnen zijn. En dan weer met meer klinkende muziekvoorbeelden!
Het MUSICO-blog start een serie over de basisbeginselen van de muziektheorie. Elke muziekliefhebber heeft wel eens in een programmaboekje zitten lezen waarin de ene na de andere technische term je om de oren vliegt. Maar wat zeggen al die termen nu eigenlijk? In deze serie over muziektheorie proberen we veel voorkomende begrippen toe te lichten. We starten de serie met het begrip contrapunt.
Eigenlijk is het heel simpel: contrapunt betekent niet meer dan ‘noot tegen noot’ spelen. Maar daarmee zijn we er natuurlijk niet. En deze serie over muziektheorie begint niet voor niets met contrapunt. Met het ontstaan van contrapunt staan we ook bij de geboorte van de westerse klassieke muziek.
Oorsprong in de kerk
Daarvoor moeten we terug naar de middeleeuwen. De kerk had
zich ontwikkeld tot een instituut van belang, de diensten waren rijkelijk
voorzien van muziek. De teksten van de liederen waren opgenomen in grote
koorboeken, waarbij de melodielijn langzamerhand steeds exacter werd genoteerd.
Meestentijds zong men deze kerkliederen eenstemmig maar op belangrijke dagen
voorzag men in de behoefte aan grandeur door meerstemmig te zingen. Dat wil
zeggen, men zong de melodie tegelijk op twee verschillende toonhoogten in de in
onze oren welluidende samenklank (interval) van octaaf of kwint. Een soort
synchroonzwemmen dus op exact gelijkblijvende afstand.
Melodie tegen melodie
Eeuwenlang was dit de gangbare praktijk totdat iemand
bedacht dat je – om de muziek nog meer luister bij te zetten – niet steeds synchroon
zou hoeven zingen, maar ook zou kunnen variëren in het zingen van de
welluidende intervallen octaaf en kwint. En zo ontstond uiteindelijk het idee
om tegen de originele melodie een andere melodie te leggen. Maar, zo bepaalde
men van meet af aan, de tonen van die melodie mochten niet zomaar gekozen
worden. Deze noten dienden wel te passen bij de tonen van de originele melodie.
En daar had men, zeker in het begin, zeer stringente ideeën over. Een octaaf
was een volkomen consonant interval, een kwint mooi consonant en een terts mocht
ook nog wel maar secunde of septiem waren dissonante samenklanken en een
overmatige kwart, o gruwel, was het ergste wat je kon verzinnen. En al lette
men op de samenklanken, men dacht toch in de eerste plaats aan de
melodielijnen, men dacht dus horizontaal.
De Notre-Dame in Parijs, een belangrijk centrum voor de ontwikkeling van de westerse muziek (ets uit 1680)
Een westers geluid
En zo kreeg de westerse muziek haar eigen specifieke geluid, gericht op samenklanken. De heren Perotinus en Leoninus, monniken uit de twaalfde en dertiende eeuw en verbonden aan de Notre-Dame in Parijs, wordt de eer toegezwaaid dit te hebben uitgevonden. Daar kan men vraagtekens bij zetten. Er bestond waarschijnlijk al veel langer een praktijk van improvisatie gebruikmakend van geschikte samenklanken op een bestaande melodieën. Wat nieuw was in de tijd van Leoninus en Perotinus, was dat men grote stappen maakte in muzieknotatie waardoor men beter dan ooit de melodie met ritme kon vastleggen. En waarom zou men zich beperken tot slechts een extra melodielijn? Waarom niet twee of drie extra melodielijnen boven het origineel? Het begrip compositie was en passant en parallel aan de ontwikkeling van het contrapunt geboren.
Door de strenge regels van samenklanken was er niet heel
veel variatie mogelijk. Je zou het de minimal music van de middeleeuwen kunnen
noemen.
Een voorbeeld van een van de oudst bewaard gebleven – want genoteerde – vierstemmige muziek: “Viderunt omnes”, een Gregoriaans lied. Om het lied meer luister bij te zetten, werden de eerste woorden van de verzen meerstemmig gezongen. De meerstemmige zetting is toegeschreven aan Perotinus.
Oprekken van de mogelijkheden
In de renaissance begon men de mogelijkheden van
samenklanken flink op te rekken. Er moeten duizenden en duizenden missen voor
meerstemmige bezetting zijn geschreven. En altijd volgens het principe dat een
bepaalde melodie het uitgangspunt vormde waartegen dan andere melodieën werden
geplaatst. Deze basismelodieën waren vaak oude kerkliederen maar in de loop van
de renaissance was dat geen vanzelfsprekendheid meer. Straatliedjes kregen
evengoed hun plaats.
L’homme armé-mis van Josquin des Prés. De basis van deze mis vormt het wereldlijke lied L’homme armé.
Hoe het ook zij, straatliedjes in de kerk of niet – natuurlijk werd daar bij tijd en wijle flink tegen geageerd – de manier van componeren bleef al die eeuwen gelijk. Men dacht horizontaal in melodielijnen. En dat is iets heel anders dan de tweede belangrijke ontwikkeling in de westerse muziekgeschiedenis, de ontwikkeling van de harmonie (waarover in een later blog meer), een manier van componeren waarbij men in de eerste plaats verticaal, in akkoorden, denkt en pas in tweede plaats horizontaal.
De meester van het contrapunt
De grootste componist van het contrapunt moet dan nog geboren worden: Johann Sebastian Bach. Tegen de tijd dat Bach zijn potlood ter hand nam, waren de regels voor contrapunt behoorlijk opgerekt en hadden componisten in renaissance bovendien allerlei technieken ontwikkeld om contrapunt te schrijven. De belangrijkste is wel samen te vatten als “imitatief contrapunt”. De ene stem imiteert de melodie van de andere stem. Het wonderlijke is dat componisten aan de haal waren gegaan met het begrip “imiteren” en varieerden. De melodie werd in tegengestelde beweging gespeeld, of gespiegeld, in langere notenwaarden of juist kortere notenwaarden, of een combinatie van deze mogelijkheden. Dit alles met inbegrip van de regels over wanneer welke samenklanken mogen klinken. Bach schiep er genoegen in juist van deze puzzels muziek te maken die ontroert.
Hohe Messe van Johann Sebastian Bach. Het Kyrie opent na een kort exposé van het thema en een instrumentale inleiding met een grootse koorfuga waarin de koorstemmen elkaar imiteren en dan hun eigen weg gaan. Pas aan het slot komen ze weer samen.
Koud in Antwerpen aangekomen of we waanden ons al in het warme Italië. Rubens ging in zijn jonge jaren in de leer in Italië en kwam terug met grootse plannen. Hij verbouwde zijn huis en atelier om tot een waar stadspalazzo, compleet met tuin en een prachtige poort: geweldig voor de perspectiefbeleving. Onze gids tijdens ons bezoek aan dit Rubenshuis schepte groot genoegen in het vertellen van de smeuïge details uit de levens van de Griekse goden die Rubens en tijdgenoten zelf ook al blijkbaar met veel genoegen op doek of koper projecteerden. Over Rubens leven leerden we niet veel, maar wel dit: Rubens was een waar Caravaggist voor de term goed en wel bestond. Kijk maar eens naar zijn spel van donker en licht.
Rubenshuis, Antwerpen
Bevrijding, een thema van belang
’s Avonds nog meer Italië. Verdi schreef een overdonderd eerbetoon aan Alessandro Manzoni, het intellect achter de Risorgimento-beweging in Italië. Wie eerder zijn Requiem beluisterde, weet natuurlijk al op wat voor verpletterende wijze Verdi de Dag van Wraak toonzet en de angst en totale paniek voelbaar maakt. De smeekbede om bevrijding in het afsluitende Libera me – subliem vertolkt door de sopraan Eleonor Lyons (onthoud die naam) en het koor van de Vlaamse Opera – kreeg extra lading door de minuut stilte die dirigent Alejo Pérez aan de mis toevoegde. Bevrijding, het blijft een thema van belang. Verdi zei het al, en Pérez lijkt hetzelfde te willen zeggen.
Eleonor Lyons
Naar een goede vriend van Rubens
Ze hebben een eigen museum – het enige Unesco-museum ter wereld – en er is in Antwerpen een Ley (straat) naar hen vernoemd, maar niemand kent ze. De taxichauffeur weet niet waar ik het over heb en roept dat er op vrijdag geen markt is. We zijn op weg naar het Plantin-Moretusmuseum, gelegen aan de Vrijdagmarkt. Het museum is gevestigd in het voormalige woonhuis en atelier van Plantin en Moretus dat meer weg heeft van een stadspaleis. Plantin en Moretus waren vader en schoonzoon maar bovenal de stichters van een uiterst succesvolle uitgeverij.
Rubens was een goede vriend van kleinzoon Moretus, hij kwam er vaak over de vloer en heeft er nogal wat schilderijen achtergelaten. Plantin reisde heel Europa door en correspondeerde met iedereen. Met minder dan het beste nam hij geen genoegen. In opdracht van koning Filips II vervaardigde hij onder meer de beroemde Polyglotta-bijbel, een bijbel in vijf talen. Een dappere poging af te rekenen met alle fouten die in de loop der eeuwen in de manuscripten waren geslopen. En dan te bedenken dat alle tekst letter voor letter gezet moest worden, in spiegelbeeld.
Letterzetten in de drukkerij van Plantin-Moretus
De flashback van Don Carlos
’s Avonds sluiten we ons Verdi-tweeluik af met een opvoering van Don Carlos. Het leek de Vlaamse Opera een mooi gebaar het nieuwe seizoen te openen met de opstand van Vlaanderen tegen Spanje en vroeg de Nederlander Johan Simons voor de regie. Nu is het met Don Carlos altijd weer spannend voor welke versie men kiest en in hoeverre de artistieke leiding daar zelf nog een variatie op maakt. Het gemopper van de Vlaamse kranten over de première had ons wat bezorgd en überkritisch gemaakt. Dat bleek volstrekt overbodig.
Ja, de Vlaamse Opera had gerommeld met de volgorde van het een en ander, maar het idee om het gehele verhaal te presenteren als een flashback van Don Carlos in zijn laatste uren werkte uitstekend. Want vier uur lang keken en luisterden we gebiologeerd naar de neergang van de door de liefde gefnuikte Don Carlos. Wat ontegenzeggelijk hielp was de présence en stem van tenor Leonardo Capalbo, die omringd werd door een overwegend jonge maar geweldig acterend team van solisten en niet te vergeten het koor en orkest van de Vlaamse Opera.
Don Carlos (foto: Annemie Augustijns)
Het toetje en een donderkast
Het toetje op onze reis kwam vanochtend met een rondleiding door de Vlaamse Opera door een bevlogen team van de Vlaamse Opera zelf. Een primeur want normaal gesproken leiden de gidsen van de stad Antwerpen de groepen rond door de publieksruimten van het mooie pand, terwijl wij nu ook backstage konden zien en alles mochten en konden vragen over het operabedrijf. De Opera is mooi gerestaureerd en gemoderniseerd maar één aspect uit de bouw van 1907 heeft men behouden: de donderkast. Vraag bij gelegenheid maar eens naar dit archeologische wonder.